Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026
Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026
De raad van de gemeente Hilvarenbeek;
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders XXX;
Gelet op het bepaalde in artikel 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.6 en 2.6.6 van de Wmo 2015 en artikel 2.9, 2.10. 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet;
Vast te stellen de volgende Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026
Hoofdstuk 1. Maatschappelijke ondersteuning
Paragraaf 2. Melding en onderzoek
Artikel 8 Spoedeisende ondersteuning
Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 of de aanvraag van cliënt.
Paragraaf 3.1. Criteria voor verstrekking van een maatwerkvoorziening
Artikel 13 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening.
- 1.
Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien naar het oordeel van het college bij de cliënt de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk, of met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen afwezig of ontoereikend zijn om:
- a)
- b)
de problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als sprake is van een cliënt met psychische of psychosociale problemen of die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
- 2.
Artikel 15 Aanvullende criteria voor beschermd wonen:
- 1.
- 2.
- 3.
- 4.
- 5.
Paragraaf 4. Persoonsgebonden budget
Artikel 17 Mogelijkheid tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget
- 1.
Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, dient de inwoner daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De inwoner maakt hierbij gebruik van een door het college ter beschikking gesteld format, samen met een pgb ondersteuningsplan, waarbij de inwoner aangeeft:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- 2.
- 3.
Als de inwoner een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, dan mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiger niet de uitvoerder, als professioneel zorgaanbieder zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor informele zorgverleners, met uitzondering van een Particuliere dienstverlener vallend onder de Regeling Dienstverlening aan Huis, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én uitvoerder van de zorg mogen zijn.
- 4.
- a.
- b.
- c.
- 5.
- 6.
De ondersteuning in de vorm van dienstverlening binnen het geheel van ondersteuning kan òf in de vorm van een maatwerkvoorziening/ individuele voorziening in natura òf in de vorm van een pgb worden verstrekt. Een uitzondering hierop is een pgb inzet vanuit informele zorg. Deze ondersteuning is mogelijk naast de zorg in natura.
Artikel 18 Hoogte van het pgb en begroting
- 1.
- a.
- b.
- c.
- d.
- 2.
De hoogte van een pgb voor dienstverlening wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd en bedraagt voor de inzet van dienstverlening, uitgevoerd door personen die formele hulp en ondersteuning bieden, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graad van de inwoner:
- I.
- II.
werken als Zelfstandige zonder personeel en ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
De aanbieders die vallen onder I ontvangen maximaal 85% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder voor zorg in natura die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
De aanbieders die vallen onder II ontvangen maximaal 85% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
- 3.
- 4.
- 5.
- 6.
- 7.
- 8.
Paragraaf 5 bijdrage in de kosten
Artikel 20 Compensatie algemeen gebruikelijke kosten
- 1.
De aanbieder van een algemene of maatwerkvoorziening kan aan de cliënt een bijdrage vragen ter gehele of gedeeltelijke compensatie van de algemeen gebruikelijke kosten die de cliënt uitspaart doordat deze onderdeel uitmaken van de algemene of maatwerkvoorziening voor zover dat tussen college en aanbieder is afgesproken. Het gaat hierbij in ieder geval om algemeen gebruikelijke kosten:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- 2.
- 3.
Artikel 21 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb
- 1.
- 2.
Indien de maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing van een minderjarig kind, is de eigen bijdrage verschuldigd door de in artikel 2.1.5, eerste lid, van de wet, bedoelde persoon of personen. De eigen bijdrage is alleen verschuldigd op de meerwaarde welke optreedt als gevolg van de woningaanpassing.
- 3.
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
- 1.
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- g.
- h.
- i.
- j.
- k.
- l.
integraal plan van aanpak: plan dat door de inwoner en het college of het samenwerkingsverband hoogspecialistische zorg wordt opgesteld en ondertekend, waarin de afgesproken resultaten en de ondersteuning die daarvoor wordt ingezet worden vastgelegd en eventueel een weergave geeft van de gesprekken en/of verslaglegging;
- m.
- n.
- o.
- p.
- q.
- r.
- s.
- t.
- u.
- 2.
Ouders zijn als eerste verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van hun kinderen. Zij zetten zich ervoor in, dat hun kinderen opgroeien in een gezonde en veilige omgeving, hun talenten kunnen ontplooien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige en zelfredzame personen die volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Die verantwoordelijkheid hebben ouders ook als hun kinderen problemen, stoornissen of beperkingen hebben. Als ouders daar hulp bij nodig hebben, kunnen zij een beroep doen op het college, en samen bespreken welke zorg, hulp of ondersteuning er nodig is en hoe daarin voorzien kan worden. Het college hanteert bij de verlening van jeugdhulp een gezinsgerichte aanpak, waar mogelijk gericht op herstel of versterking van de eigen kracht.
Paragraaf 2. Melding en onderzoek
Artikel 34 Toegang jeugdhulp via justitieel kader
Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering.
Artikel 35 Spoedeisende ondersteuning
Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 of de aanvraag van inwoner. Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet.
Paragraaf 3.1. inzet individuele voorzieningen
Artikel 41 Vervoer van en naar hulpaanbieder
- 1.
- 2.
- 3.
- 4.
- 5.
- 6.
Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling van de vergoeding, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening dan wel vergoeding. Hierbij hanteert het college het principe van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening.
- 7.
Paragraaf 3.2. Criteria voor verstrekking van een individuele voorziening
Artikel 42 Algemene criteria voor een individuele voorziening
- 1.
- 2.
Als er sprake is van een aanvraag voor een individuele voorziening voor een jeugdige van 16 jaar of ouder moet er door de gemeentelijke toegang, gecertificeerde instelling, medisch domein en jeugdhulpaanbieder in het Plan van aanpak expliciet worden vermeld hoe lang de ondersteuning nodig is. Indien naar verwachting ook na het 18e jaar nog hulp nodig is wordt nagedacht op welke wijze en via welke financieringsstroom dit vorm krijgt (WMO, zorgverzekering, Wlz). Input voor het Plan van Aanpak wordt mede geleverd door jeugdhulpaanbieders via het Perspectiefplan 18+. Uiterlijk bij de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en welke ondersteuning er nodig is vanaf het 18e levensjaar en hoe dit geregeld gaat worden c.q. binnen welk wettelijk kader deze ondersteuning dient te vallen.
- 3.
Artikel 43 Eigen kracht binnen de Jeugdwet
- 1.
Ouders en jeugdigen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning bij opgroei- en opvoedvragen. Zij komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf met de inzet van eigen kracht geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Dat vloeit voort uit de verantwoordelijkheid van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden (zie ook artikel 1.2).
- 2.
- 3.
Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp geven ouders zelf, omdat het onder hun zorgplicht valt. Alleen bij (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen kan het college een voorziening inzetten, als er geen andere oplossingen mogelijk zijn. Het college betrekt daarbij de capaciteiten en de beschikbaarheid van de ouders. De voorziening wordt in beginsel voor korte tijd ingezet, en duurt niet langer dan nodig is om de balans tussen draagkracht en draaglast te herstellen.
- 4.
Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of problemen nodig heeft. Het college houdt in ieder geval rekening met de volgende factoren:
- a.
- b.
- c.
- d.
Het college maakt daarbij gebruik van de uitgangspunten uit de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 bijlage 3, die zijn uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1.
- 5.
- 6.
Ook bovengebruikelijke hulp valt onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Van ouders wordt verwacht, dat zij deze hulp bieden, tenzij de balans tussen draagkracht en draaglast in het gezin daardoor zo verstoord raakt, dat dit niet langer van de ouders kan worden verlangd. Aan de hand van de factoren uit het vijfde lid wordt bepaald of dit het geval is.
- 7.
Paragraaf 4 Ondersteuning in de vorm van een pgb
Artikel 44 Mogelijkheid tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget
- 1.
Als een inwoner in aanmerking komt voor een individuele voorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, dient de inwoner daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De inwoner maakt hierbij gebruik van een door het college ter beschikking gesteld format, samen met een pgb ondersteuningsplan, waarbij de inwoner aangeeft:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- g.
- 2.
- 3.
Als de inwoner een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, dan mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiger niet de uitvoerder, als professioneel zorgaanbieder zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor informele zorgverleners, met uitzondering van een Particuliere dienstverlener vallend onder de Regeling Dienstverlening aan Huis, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én uitvoerder van de zorg mogen zijn.
- 4.
- a.
- b.
- c.
Artikel 45 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp
- 1.
- 2.
Onder professionele hulp wordt verstaan de jeugdhulp die wordt verleend door iemand die:
- a)
werkervaring, kwalificaties of een opleiding heeft die nodig is voor de jeugdhulp die ingezet moet worden. Dat kan blijken uit een inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) of bedoeld in artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet (SKJ-registratie), of uit een andere erkende registratie voor beroepsgroepen of uit specifieke diploma’s; en die
- b)
- c)
- d)
- a)
- 3.
- 4.
Artikel 46 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp
- 1.
- 2.
- 3.
- 4.
Als het tarief niet toereikend is om daarmee passende jeugdhulp in te kopen, en als het college geen aanbieder heeft gecontracteerd voor de toegekende jeugdhulp, dan wordt het tarief op een bedrag gesteld, waarmee bij ten minste één jeugdhulpverlener of organisatie de jeugdhulp ingekocht kan worden.
- 5.
- 6.
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp
Paragraaf 1. Bestrijding misbruik, kwaliteit en veiligheid, klachten en medezeggenschap
Artikel 49 Kwaliteitseisen zorg- en dienstverleners persoonsgebonden budget
- 1.
- 2.
De professionele zorg- of dienstverlener zorgt voor een goede kwaliteit van zijn diensten door in ieder geval:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
te beschikken over een meldcode, conform het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden,
- f.
- g.
- 3.
Artikel 50 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
- 1.
- 2.
- 3.
- 4.
- 5.
Artikel 52 Klachten tegen medewerkers gemeente
De Klachtenregeling gemeente Hilvarenbeek is van toepassing voor de afhandeling van klachten (qua bejegening) van de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen (niet zorg-inhoudelijk) als bedoeld in deze verordening.
Artikel 55 Betrokkenheid inwoners bij de uitvoering van de wet
- 1.
Het college stelt inwoners, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
- 2.
Paragraaf 2. Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen en herziening, intrekking en terugvordering
Artikel 56 Tegengaan oneigenlijk gebruik
Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:
Artikel 57 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
- 1.
Een ontvanger van een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening of de ouder van een betrokken jeugdige doet onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of individuele voorziening.
- 2.
- 3.
- 4.
Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens, en in geval van een maatwerkvoorziening opzettelijk, heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die deze onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft:
- a.
- b.
- c.
- 5.
- 6.
Artikel 58 Opschorting betaling uit het pgb
- 1.
Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.
- 2.
- 3.
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht en slotbepalingen
Artikel 60 Nadere regels en beleidsregels
Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening.
Artikel 62 Intrekking oude verordening
De ‘Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Hilvarenbeek 2023’ en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken.
Toelichting Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Hilvarenbeek 2026
Op 1 januari 2015 zijn de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in werking getreden. Op basis van deze wetten zijn veel taken welke voorheen bij de provincie of het rijk waren belegd naar de gemeente overgeheveld. Dit heeft destijds geresulteerd in twee gemeentelijke verordeningen:
- –
- –
Met ingang van 1 april 2019 zijn beide verordeningen samengevoegd en aangepast aan de nieuwe contracten welke op beide met ingang van die datum zijn gaan lopen.
Op 25 september 2021 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek ingestemd met de uitgangspunten inkoop sociaal Domein. Op basis hiervan is de verordening destijds aangepast in de ‘Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Hilvarenbeek 2023’
In de tussenliggende periode zijn er enkele uitspraken geweest van de Centrale Raad van Beroep die maken dat de verordening op onderdelen moet worden gewijzigd. Daarnaast is gebleken dat het samenvoegen van de verordeningen in de uitvoering heeft geleid tot onduidelijkheden. Om die reden is ervoor gekozen de verordening anders in te delen. Dit alles heeft geleid tot de ‘Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Hilvarenbeek 2026’
De belangrijkste wijzigingen zijn:
- 1.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zich op 16 augustus 2023 tweemaal uitgesproken over de informele pgb-tarieven in het sociale netwerk binnen de Wmo. Hierbij is aangegeven dat voor de huishoudelijke ondersteuning en begeleiding aansluiting moet worden gezocht bij de betreffende CAO. Om die reden is artikel 18 aangepast.
- 2.
De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 on een drietal uitspraken vastgesteld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe invulling wordt gegeven aan de voorwaarde ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ (eigen kracht) van ouders. Die invulling is nu opgenomen in artikel 43 van deze verordening. De afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht. Daarnaast is in samenhang hiermee artikel 27 opgenomen in deze verordening.
- 3.
Deze wijziging van de verordening heeft ook betrekking op de indeling en leesbaarheid. Er is gekozen om de specifieke artikelen voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp onder te brengen in eigen hoofdstukken. In de praktijk is gebleken dat zowel uitvoerende medewerkers als inwoners moeite konden hebben met het snel vinden en begrijpen van de relevante artikelen.
Hoofdstuk 1 Maatschappelijke ondersteuning
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Definities die zijn opgenomen in de Wmo 2015 en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen in de definities. Alleen waar het opnemen in de definities iets toevoegt zijn ze opgenomen.
We gaan ervanuit dat de inwoner zoveel als mogelijk binnen het eigen dorpsnetwerk een oplossing vindt om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen of te behouden. Daar waar een inwoner daar zelfstandig niet toe in staat is kan hij bij een professional binnen het dorpsnetwerk een vraag stellen of een melding doen voor maatschappelijke ondersteuning.
De melding is in de wet niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is hier een definitie van het begrip opgenomen. Vanaf de melding start de onderzoeksperiode, afgesloten door een verslag.
Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P.)
Binnen de regio Hart van Brabant is een budget beschikbaar om out of de box ondersteuning in te kunnen zetten. Dit maakt ondersteuning naast de individuele en maatwerkvoorzieningen mogelijk.
De QuickScan is een instrument met als doel het vormen van een toestandsbeeld van een cliënt/burger door een medewerker of een professional uit het dorpsnetwerk, op basis van een snelle scan, waarbij de problematiek op (meerdere) leefgebieden en de zelfredzaamheid in kaart wordt gebracht. Daarnaast heeft de QuickScan als doel te bepalen of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn.
In de wet wordt gesproken over een verslag. Binnen de gemeente Hilvarenbeek wordt dit verslag in een (ntegrale) vraaganalyse weergegeven. Het doel van de (integrale) vraaganalyse is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Dit is vervolgens de inbreng voor het (integrale) plan van aanpak.
Een Quickscan kan in de plaats van een verslag komen indien de hulpvraag geen verdere verduidelijking behoeft.
Artikel 2 Reikwijdte verordening
Om in aanmerking te kunnen komen voor maatschappelijke ondersteuning op grond van deze verordening moet iemand inwoner zijn van de gemeente Hilvarenbeek. Iemand is inwoner als hij staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie als inwoner van de gemeente.
In de Wmo 2015 is de vertegenwoordiger gedefinieerd als “persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake”.
Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget.
Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag.
Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger feitelijk gelijk gesteld kan worden) worden geweigerd als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan.
Paragraaf 2. Melding en onderzoek
Artikel 4 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen
Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden.
De voorwaarden die het college aan het gebruik van algemene voorzieningen verbindt gaan om algemene criteria en voorwaarden die niet afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie van de cliënt.
Ook personen die op grond van de Wet langdurige zorg in een instelling verblijven kunnen gebruik maken van een algemene voorziening. Er worden in de verordening geen voorbeelden genoemd omdat deze voorzieningen divers kunnen zijn en aan verandering onderhevig.
Binnen de door de gemeente vastgestelde ondersteuningsstructuur wordt cliëntondersteuning geboden. Professionals bieden onafhankelijk informatie en advies en ondersteuning.
In het geval een inwoner behoefte heeft aan onafhankelijk ondersteuning door een professional die geen deel uitmaakt van de lokale ondersteuningsstructuur is cliëntondersteuning beschikbaar door een door de gemeente aangewezen instantie. De inwoner kan ook andere instanties of personen hiervoor benaderen.
Het staat de cliënt vrij om zich bij te laten staan door iemand van zijn/haar keuze (vrijwillig of professioneel) uit zijn/haar sociale netwerk dan wel dorpsnetwerk.
Het verstrekken van informatie over onafhankelijke cliëntondersteuning vindt plaats na melding dan wel tijdens het eerste gesprek dat met inwoners in het kader van het onderzoek wordt gevoerd. Daarnaast communiceren we dit via de gemeentelijke communicatiekanalen.
Artikel 6 Melding hulpvraag in de gemeente
Voor deze verordening is het begrip “melding” van toepassing voor zowel op maatschappelijke ondersteuning als op jeugdhulp.
Met de melding maakt een persoon, of iemand namens deze persoon, zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kenbaar bij het college. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van maatschappelijke ondersteuning, is dus niet een melding in de zin van deze verordening.
Een melding kan gedaan worden in persoon bij een door het college vastgestelde professional uit het dorpsnetwerk van de inwoner. Als de inwoner zich daarbij niet prettig voelt, staan er ook andere mogelijkheden open om zich te melden, waaronder digitaal, schriftelijk of telefonisch.
Artikel 7 Onderzoek en weergave naar aanleiding van de melding
Een melding zal gevolgd worden door een gesprek met een door het college aangewezen medewerker. Wie dat is, is afhankelijk van de gestelde hulpvraag en of iemand al bekend is. Dit kan ook via het SamenZorgTeam(SZT) als er sprake is van complexe, op meerdere leefgebieden, specialistische problematiek en onvoldoende zelfredzaamheid van de cliënt of door een gecontracteerde aanbieder als er noodzaak bestaat voor wmo begeleiding.
Als de situatie van de cliënt bij de medewerker voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de cliënt worden beperkt tot de onderdelen die volgens de medewerker en de cliënt of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger van belang zijn in relatie tot de melding. Dit mag echter niet ten koste gaan van de integraliteit.
Het onderzoek bestaat uit een QuickScan en/of een (integrale) vraaganalyse.
Heeft de melding betrekking op beschermd wonen, dan geldt hiervoor dat deze landelijk toegankelijk is. Dit betekent dat een inwoner overal terecht moet kunnen voor opvang en beschermd wonen (woonplaatsbeginsel).
Vervolgens is zorgvuldig dossiervorming en zorgvuldige procedure van belang. Het doel van het opstellen van een onderzoek ( met de middelen QuickScan en (Integrale) vraaganalyse) is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.
In Hilvarenbeek wordt gewerkt met de QuickScan en of de eventueel daaropvolgende (integrale) vraaganalyse, deze zijn een weergave van het onderzoek. Indien er behoefte bestaat aan een ondersteuning zal er een (integraal) plan van aanpak worden opgesteld, waarin, zoveel als mogelijk, samen met de cliënt de afspraken worden vastgelegd over de inzet van eigen kracht, het sociale netwerk en/of professionals, die nodig zijn om de gewenste resultaten te bereiken.
Op basis van de inkoop in 2023 kan het plan van aanpak ook opgesteld worden door een door het college aangewezen derde. Een gedeelte van de inkoop die met ingang van 1 januari 2023 geldt is taakgericht. Hierbij wordt als bij een eerste gesprek met de toegang blijkt dat er een maatwerkvoorziening nodig is de zaak doorgezet naar een combinatie van zorgaanbieders die het onderzoek dan op zich neemt en zal uitwerken in een plan van aanpak. Mocht de client kiezen voor de inzet van ondersteuning in de vorm van een Pgb dan zal de combinatie met een advies komen.
Artikel 8 Spoedeisende ondersteuning
Indien er een melding plaatsvindt voor spoedeisende hulp, is het college op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 gehouden een tijdelijke voorziening te treffen, totdat het onderzoek is afgerond en er een aanvraag is ingediend op basis waarvan een reguliere maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Het college kan derhalve in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Het college kan voorts in het dringende belang van de cliënt een al dan niet ambtshalve ingediende aanvraag in behandeling nemen zonder ondertekende (integrale) vraaganalyse , indienen zolang de cliënt niet in staat of bereid is de (integrale) vraaganalyse te ondertekenen. Een besluit tot spoedeisende ondersteuning wordt door het college in de beschikking duidelijk gemotiveerd, zodat het voor de cliënt inzichtelijk is waarom tot ambtshalve verstrekking is overgegaan.
Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs een voorwaarde. Onder adviserende instantie kan ook begrepen worden het experteam vanuit een de combinatie van zorgaanbieders zoals deze met ingang van 1 januari 2023 is ingekocht.
Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.
In artikel 2.3.8, derde lid Wmo 2015 is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Het adviesverzoek zal veelal plaatsvinden in de onderzoeksfase. Dit is na melding en voorafgaande aan de aanvraag. Het zal dan deel uitmaken van het onderzoek waartoe de gemeente verplicht is. Het advies zal, indien het tot een aanvraag komt, meegenomen worden in de afhandeling van die aanvraag. Indien nodig kan een advies ook plaatsvinden in de aanvraagfase.
Paragraaf 3. Aanvraag en besluit
Artikel 10 Aanvraag of maatwerkvoorziening
Als de cliënt besluit een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening, moet dit schriftelijk gebeuren.
In nadere regels kan het college vastleggen op welke wijze een aanvraag gedaan moet worden. Dit kan een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier zijn, maar het college kan hiertoe andere mogelijkheden openstellen.
Artikel 11 Inzet maatwerkvoorzieningen
Een maatwerkvoorziening is in de Wmo 2015 gedefinieerd als een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. Het gaat hierbij om ondersteuning op maat, waarvoor een beschikking wordt afgegeven.
Het college kan voorwaarden of verplichtingen verbinden aan maatwerkvoorzieningen. Dat kunnen algemene voorwaarden en verplichtingen zijn.
Bijvoorbeeld dat een scootmobiel overdekt moet worden gestald, dat iemand in de opvang mee moet werken aan het opstellen en nakomen van een ondersteuningsplan of dat iemand zich in een instelling voor beschermd wonen houdt aan de leefregels die daar gelden.
Lid 6 biedt de mogelijkheid om maatwerk in de vorm van Persoonlijk Passend Pakket(P.P.P.) in te zetten. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om ‘out of the box’ oplossingen te zoeken. In enkele gevallen namelijk is de ondersteuning welke geboden wordt op basis van een individuele voorziening, overige voorziening of andere voorziening onvoldoende om de beperkingen, welke de cliënt in de zelfredzaamheid ondervindt, op te heffen dan wel te verminderen. Om hier toch de juiste ondersteuning in te kunnen zetten is er de mogelijkheid gecreëerd om hier een andere vorm van maatwerk in te zetten. Zelfzorg en gezondheid bij personen met een somatische, lichamelijke of psychogeriatrische grondslag valt onder de zorgverzekeringswet en valt daarom voor deze doelgroep niet onder de Wmo 2015.
Een beschikking genoemd in lid 1 kan bij Wmo begeleiding en bij hoog specialistische jeugdhulp ook een plan van aanpak zijn.
Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget.
Derde lid, onder a, en vierde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’.
De in het derde lid onder c genoemde motivatie moet in het besluit worden opgenomen. De motivering moet namelijk een besluit dragen. Het college stelt regels waarop dit plaats zal vinden.
Het vijfde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.
In het zesde lid is opgenomen dat het college het nemen van een besluit kan mandateren aan een derde. In het kader van de nieuwe inkoop wordt het plan van aanpak bij wmo begeleiding en bij hoogspecialistische jeugdhulp in de vorm van zorg in natura ook gezien als beschikking. Dit plan van aanpak wordt opgesteld door de ingekochte zorgaanbieder. Dit is alleen mogelijk als het college de zorgaanbieder mandateert.
Paragraaf 3.1 Criteria voor verstrekking van een individuele en een maatwerkvoorziening
Artikel 13 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening
In het eerste lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in de artikelen 1.2.1 en 1.3.5 van de wet Wmo 2015.
In dit artikel wordt verwoord dat er sprake moet zijn van:
- –
- –
- –
Daarnaast dragen algemene voorzieningen onvoldoende bij aan een oplossing.
Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende, lichte ondersteuning door een professional uit het dorpsnetwerk of een verwijzing naar een algemene voorziening, zoals een huiskamer binnen het dorp voor dagbesteding
De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als voorliggende opties niet voldoende zijn. Voor opvang voor een persoon die de thuissituatie heeft verlaten in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, geldt niet dat er sprake moet zijn van beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen.
Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen voor de goedkoopst doelmatige voorziening. Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere
varianten mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopste variant.
Een cliënt heeft het recht een eigen keuze te maken uit de gecontracteerde partijen voor het resultaatgebied waarop ondersteuning wordt geboden. Wil of kan de cliënt geen keuze maken dan zal de gemeente deze keuze maken.
Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een
maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, kan het college met de cliënt een bruikleenovereenkomst afsluiten.
Uiteraard bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening deze keuzemogelijkheid niet.
Artikel 14 Algemene aanvullende criteria maatwerkvoorziening
In dit artikel zijn algemene aanvullende criteria geformuleerd voor een maatwerkvoorziening, gericht op zelfredzaamheid of participatie. Als een cliënt niet voldoet aan deze criteria, komt hij in principe niet in aanmerking voor de betreffende maatwerkvoorziening.
De Wmo 2015 legt de nadruk op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de burger voor zijn eigen leven, zijn zelfredzaamheid en participatie.
Die eigen verantwoordelijkheid heeft meerdere kanten:
- –
Het college kijkt naar de mogelijkheden van de cliënt, de mogelijkheden van gebruikelijke hulp, van het netwerk rond de cliënt of om een vrijwilliger in te zetten, de beschikbaarheid van voorliggende voorzieningen, de mogelijkheid om gebruik te maken van voorzieningen in zijn buurt, zoals een maaltijdservice, een boodschappendienst of klussendienst of van algemene voorzieningen die het college ter beschikking stelt.
- –
Een burger zal zich rekenschap moeten geven van en anticiperen op wat vaak inherent is aan de beperkingen die hij heeft en aan nieuwe levensfases. Bij iedere levensfase horen bijvoorbeeld andere wensen ten aanzien van de toegankelijkheid van de woning. Dat betekent dat een cliënt tijdig maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat hij kan verhuizen naar een meer geschikte woning, die past bij zijn levensfase en omstandigheden.
- –
Verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven betekent eveneens dat de burger ervoor zal moeten zorgen dat hij voldoende is verzekerd en eventueel gebruik kan maken van de faciliteiten van een thuiszorgorganisatie voor de situatie dat hij tijdelijk ondersteuning nodig heeft, zoals tijdelijk gebruik van hulpmiddelen of waar gebruik maakt van hij hand- en spandiensten.
- –
Ook zal hij bereid moeten zijn zelf te investeren in bepaalde hulpmiddelen die hij kan kopen in een gewone winkel of bijvoorbeeld een thuiszorgwinkel, zoals een sta-op stoel, een wandelstok of een rollator. Dit zijn hulpmiddelen die de Rijksoverheid in het verleden bewust uit het hulpmiddelenpakket van de Zorgverzekeringswet heeft gehaald, omdat zij betaalbaar zijn, veel gebruikt worden of passen binnen een bepaalde levensfase, net als een kinderwagen bij jonge mensen. Feitelijk hebben deze hulpmiddelen hiermee een algemeen gebruikelijk karakter gekregen.
- –
- –
Als dit alles onvoldoende is om de cliënt voldoende te ondersteunen in zijn zelfredzaamheid en participatie, kan de cliënt een aanvraag indienen voor een (aanvullende) maatwerkvoorziening.
Een voorziening moet veilig zijn en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor de cliënt of een ander. Zo zal bijvoorbeeld iemand die geen verkeersinzicht heeft, niet in aanmerking komen voor een aangepaste fiets of een ‘snelle’ scootmobiel.
Als er al eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en deze voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig.
In lid 2 van dit artikel worden een aantal weigeringsgronden op basis waarvan geen voorziening wordt verstrekt. Hier onder valt oa. de anti revaliderende werking. Bijvoorbeeld een scootmobiel toekennen waardoor client te weinig loopt. Hiervoor is wel een objectief onderzoek nodig.
Het is voor het college belangrijk dat het objectief kan vaststellen of de voorziening
noodzakelijk is. Als een cliënt zich op een zodanig moment meldt dat een objectieve beoordeling niet meer mogelijk is, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Dit is een reden om de voorziening te weigeren. Bovendien blijkt hier dan ook uit dat de cliënt in staat is gebleken zelf met oplossingen te komen voor zijn probleem, zodat ondersteuning door het college niet aan de orde is.
Artikel 15 Aanvullende criteria voor beschermd wonen.
Beschermd wonen wordt vooralsnog uitgevoerd door de gemeente Tilburg als centrum gemeente. De regels van de gemeente Tilburg zijn hier dan ook op van toepassing.
In deze regels is niets opgenomen omtrent de inzet van beschermd wonen in het buitenland. Bij de uitvoering en de mogelijkheid tot toezicht wordt aangenomen dat dit niet mogelijk is. Echter om onduidelijkheid te voorkomen is het verstandig om dit op te nemen in de verordening.
Paragraaf 3.2 Een gezin, een plan een aanspreekpunt
Artikel 16 Verstrekking binnen een gezin
Binnen de gemeente Hilvarenbeek is ‘een gezin, een plan, een aanspraakpunt’ een belangrijk uitgangspunt. In dit kader wordt er naar gestreefd dat als er ondersteuningsbehoefte bestaat zowel met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning als met betrekking tot de Jeugdhulp hier te komen tot een integraal plan van aanpak. Dat wordt in dit artikel onderstreept.
Paragraaf 4 Persoonsgebonden budget
Artikel 17 Mogelijkheden tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget
Op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 moet de cliënt voldoen aan een aantal voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze zijn:
- –
- –
- –
Ook bepaalt de wet dat het college een pgb kan weigeren:
- –
- –
indien het college eerder een beslissing voor het verstrekken van een individuele voorziening dan wel maatwerkvoorziening of pgb heeft herzien in verband met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening of pgb of bij een onjuiste besteding van een pgb.
Om te kunnen vaststellen of de cliënt aan deze voorwaarden voldoet, wordt van de cliënt verwacht dat hij een gemotiveerd verzoek indient als hij voor een pgb in aanmerking wil komen. Aan dit verzoek wordt een aantal eisen verbonden, dat is opgenomen in het eerste lid. In het tweede lid zijn aanvullende eisen voor een pgb opgenomen.
Uitgangspunt is dat de cliënt naar het oordeel van het college voldoet aan alle in artikel 2.3.6, tweede lid Wmo 2015 genoemde voorwaarden en dat op de cliënt ook niet de in dat artikel genoemde weigeringsgronden van toepassing zijn.
Als een cliënt niet zelf tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, moet zijn gewaarborgd dat een derde die de cliënt daarbij ondersteunt hiertoe wel in staat is en er ook geen ongewenste belangenverstrengeling aan de orde is. Om die reden moet een aantal voorwaarden door het college gesteld worden aan deze begeleiding.
In het vierde lid is een aantal aanvullende weigeringsgronden opgenomen:
Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.7 is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning. In zo’n geval is de ondersteuning niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een maatwerkvoorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.
Besteding van een pgb in het buitenland is alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het college zal hierbij toetsen of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen resultaatgebieden.
Als Collectief Vraagafhankelijk Vervoer als maatwerkvoorziening voor een cliënt passend wordt geacht, is een pgb in principe niet mogelijk. Het college kan daarop een uitzondering maken als het pgb wordt bestemd voor de aanschaf van een gehandicaptenvoertuig of de aanpassing van de eigen personenauto of brommobiel. Voorwaarde is wel, dat hij voor 5 jaar afziet van het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer op Maat. Dit is opgenomen in artikel 2.3.6, derde lid.
Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem begeleidt met het beheer van het pgb. Ook mogen er van het pgb geen administratiekosten worden betaald. Ook de eigen bijdrage mag niet uit het pgb betaald worden.
Bij de inzet van Pgb moet de cliënt kiezen om deze òf in natura òf in de vorm van een pgb te ontvangen. Hierop bestaat een uitzondering, nl. indien er ook een pgb ingezet wordt vanuit informele zorg, dit moet naast de zorg in natura mogelijkheid blijven.
Artikel 18 Hoogte van het pgb en begroting
De basis voor de vaststelling van de hoogte van het pgb is de door de cliënt ingediende begroting. De pgb bedragen worden hierbij begrensd. Voor het vaststellen van het Pgb tarief worden tarieven gehanteerd welke gerelateerd zijn aan de kostprijs voor de ondersteuning in natura
Bij een pgb voor dienstverlening wordt er bij de toekenning van een pgb een differentiatie toegepast afhankelijk of de ondersteuning ingezet wordt door een geregistreerde (zorg) organisatie / instelling een ZZP, door informele zorg niet zijnde familie en sociaal netwerk of familie/sociaal netwerk.
Bij de ondersteuning door een (zorg)organisatie/instelling en ZZP wordt voor de vaststelling van de hoogte van het Pgb een percentage van 85% van de ondersteuning in natura. Gelet op eventueel toekomstige aanpassingen is alvast rekening gehouden met differentiatie tussen ZZP en een professionele aanbieder. Dat komt omdat aan gecontracteerde aanbieders een aantal aanvullende eisen wordt gesteld met betrekking tot de administratie (declaratie via vastgestelde systemen), klachtenregeling, leveren van overbruggingszorg en social return on investment. Formele hulpaanbieders die op basis van een pgb ondersteuning leveren, hoeven hier niet aan te voldoen. Het pgb-tarief is daarom voor een formele hulpverlener lager vastgesteld dan het zorg in natura-tarief. Wel moet vaststaan dat met het verstrekte budget de benodigde zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij in de regio Hart van Brabant vastgestelde tarieven.
Bij ondersteuning vanuit het informele circuit zullen deze kosten nog lager zijn. Bij informele zorg wordt rekening gehouden met uitspraken van de CRvB en is rekening gehouden met de in de rechtspraak vastgestelde norm zoals opgenomen in lid 4 van dit artikel.
Indien er meerdere aanbieders zijn die een vergelijkbare maatwerkvoorziening of individuele voorziening leveren, wordt het laagste tarief als uitgangspunt gehanteerd. Ook de marktprijs wordt gebaseerd op de laagste prijs.
In lid 5, 6 en 7 wordt invulling en aansluiting gezocht bij hetgeen is bepaald voor het collectief vervoer.
Lid 8 biedt de ruimte om maatwerk te leveren met betrekking tot de hoogte van het pgb als met de vastgestelde pgb tarieven geen zorg kan worden ingekocht bij minimaal één aanbieder.
Artikel 19 Besteding en verantwoording van het pgb
De Sociale Verzekeringsbank beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit aan de leverancier of dienstverlener, op basis van de facturen die de cliënt bij de Sociale Verzekeringsbank indient.
Het college zal in nadere regels vastleggen welke regels er voor de cliënt gelden ten aanzien van de besteding en verantwoording van het pgb. Daarbij staat voorop dat het pgb zal moeten worden besteed voor het bereiken van de vastgestelde resultaten.
Ook zal het niet mogelijk zijn om een pgb onbeperkt op te sparen.
Paragraaf 5 bijdrage in de kosten
Artikel 20 Compensatie algemeen gebruikelijke kosten
Als een cliënt gebruik maakt van een algemene of maatwerkvoorziening, dan kan de aanbieder van deze voorziening een bijdrage vragen voor de kosten die onderdeel uitmaken van de voorziening maar feitelijk algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat daarbij om kosten van bijvoorbeeld maaltijden, het doen van de was, kosten van vervoer die niet hoger zijn dan de kosten van het openbaar vervoer, een reguliere toegangs- of lidmaatschapsprijs of bijdrage aan materiaalkosten bij een creatieve activiteit.
Het college maakt hierover afspraken met de aanbieder van de voorziening.
De aanbieder moet transparant zijn over de kosten die hij in rekening brengt en dit op een duidelijke en begrijpelijke manier kenbaar maken aan de cliënt die gebruik maakt van de voorziening. Dit kan op een website, met een brief of op een andere duidelijke wijze.
De gemeente zal bij het uitvoeren van het onderzoek en het opstellen van een plan van aanpak zoveel als mogelijk de kosten, welke verbonden zijn aan de in het plan van aanpak opgenomen voorzieningen, inzichtelijk maken voor de cliënt.
Artikel 21 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb
De berekening van de eigen bijdrage is in het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 opgenomen. Als gemeente volgen we deze systematiek.
De gemeente informeert een cliënt omtrent de te betalen eigen bijdrage.
In het tweede lid is opgenomen dat voor een woningaanpassing van een minderjarig kind is een eigen bijdrage verschuldigd indien er door de woningaanpassing een waardevermeerdering heeft plaatsgevonden. De eigen bijdrage wordt dan in rekening gebracht op de waardevermeerdering van de woning. Om te bepalen of hier sprake van is zal er door het college nadere regels gesteld worden. Deze eigen bijdrage wordt in rekening gebracht bij de onderhoudsplichtige ouders, waaronder ook wordt verstaan de stiefouders en anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden. Ook wordt tot de ouders gerekend de verwekker van een kind tegen wie een vaderschapsactie is toegewezen. Daarnaast kan de eigen bijdrage in rekening worden gebracht bij degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige.
In de wet is opgenomen dat geen bijdrage is verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.
In de wet is tevens opgenomen dat als ouders gescheiden wonen en er geen alimentatie is bepaald, alleen die ouder bijdrageplichtig is die onmiddellijk voorafgaand aan de verstrekking van de woningaanpassing of het persoonsgebonden budget recht op kinderbijslag heeft.
In het derde lid is opgenomen dat voor een aantal voorzieningen geen eigen bijdrage verschuldigd is.
Hieronder valt ook de Ontwikkelingsgerichte Arbeidsmatige Dagbesteding. De ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding is losgemaakt van Wmo begeleiding en beschermd wonen. Met het uitgangspunt “Participatie is de beste zorg” willen we stimuleren dat zoveel mogelijk mensen meedoen in de samenleving. Omdat vanuit de Participatiewet geen eigen bijdrage gevraagd wordt voor deelname aan participatie-instrumenten willen we dat voor OAD ook niet doen.
In de wet is geregeld dat voor cliëntondersteuning geen eigen bijdrage verschuldigd is. Aangezien een doventolk in het verlengde hiervan ligt, is ook voor de doventolk geen eigen bijdrage verschuldigd.
Artikel 22 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb
In het tweede lid is opgenomen hoe lang iemand een eigen bijdrage verschuldigd is. Bij dienstverlening geldt dat de eigen bijdrage verschuldigd is over iedere periode waarin dienstverlening is geboden. Ook als bijvoorbeeld een week geen dienstverlening is geboden, maar de andere weken wel, is een cliënt een eigen bijdrage verschuldigd. In hoeverre de kostprijs van de dienstverlening hierdoor wijzigt, is afhankelijk van het contract dat de gemeente met de dienstverlener heeft afgesloten.
Zodra de indicatie voor de dienstverlening wordt ingetrokken, vervalt ook de verschuldigdheid van de eigen bijdrage.
Voor een voorziening in natura is de eigen bijdrage verschuldigd zolang de cliënt in het bezit is van de voorziening. Als de kostprijs eerder is voldaan, eindigt de verplichting tot het betalen van de eigen bijdrage zodra de kostprijs is voldaan. Ditzelfde geldt voor de eigen bijdrage over een eenmalig pgb.
Bij een periodieke pgb-verstrekking is de cliënt een eigen bijdrage verschuldigd over iedere periode waarin een pgb is verstrekt.
Voor het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer voor sociaal-recreatief is een bijdrage verschuldigd die door het college nader wordt vast gesteld. Deze bijdrage is niet inkomensafhankelijk en gekoppeld aan de Ov tarieven zoals deze door de provincie Noord-Brabant en de Stuurgroep Regiovervoer worden vastgesteld. Er worden bij deze bijdrage rekening gehouden met het tijdstip waarop men reist en de kosten van het verstrekken van een reizigerspas kunnen op de inwoner verhaald worden.
Artikel 24 Eigen bijdrage verblijf
Paragraaf 6 Waardering mantelzorgers
Artikel 25 Blijk van waardering voor mantelzorgers
Met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is het mantelzorgcompliment van de rijksoverheid vervallen. In plaats daarvan moet het college zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten.
De wijze waarop is vrij. Het college zal zorgdragen voor passende invulling. Waarbij op voorhand niet wordt gekozen voor één soort compliment, maar voor flexibiliteit en aansluitend op de behoefte van de mantelzorgers. De waardering wordt op maat ingevuld (waarbij geen onderscheid gemaakt wordt op basis van inkomen, intensiteit van de mantelzorg of de afstand tot de cliënt). Het compliment wordt toegekend aan de mantelzorger
Paragraaf 1. Algemene bepalingen
Definities die zijn opgenomen in de Jeugdwet zijn, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen in de definities. Alleen waar het opnemen in de definities iets toevoegt zijn ze opgenomen.
We gaan ervanuit dat de inwoner zoveel als mogelijk binnen het eigen dorpsnetwerk een oplossing vindt om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen of te behouden. Daar waar een inwoner daar zelfstandig niet toe in staat is kan hij bij een professional binnen het dorpsnetwerk een vraag stellen of een melding doen voor maatschappelijke ondersteuning.
De Jeugdwet hanteert verschillende termen voor de voorzieningen op basis waarvan ondersteuning wordt ingezet. Dit leidt tot verwarring.
Als het een ondersteuning betreft in het kader van de Jeugdwet dan spreken we over een ‘individuele voorziening’. Binnen onze gemeente noemen dit ook ‘maatwerkvoorziening jeugd’.
Ook voorzieningen in het voorliggende veld worden binnen de Jeugdwet anders genoemd. Binnen de jeugdwet wordt dit overige voorziening genoemd.
De terminologie die de onderscheidende wetten hanteren wordt in deze verordening aangehouden.
De melding is in de wet niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is hier een definitie van het begrip opgenomen. Vanaf de melding start de onderzoeksperiode, afgesloten door een verslag.
Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P.)
Binnen de regio Hart van Brabant is een budget beschikbaar om out of de box ondersteuning in te kunnen zetten. Dit maakt ondersteuning naast de individuele en maatwerkvoorzieningen mogelijk.
De QuickScan is een instrument met als doel het vormen van een toestandsbeeld van een cliënt/burger door een medewerker of een professional uit het dorpsnetwerk, op basis van een snelle scan, waarbij de problematiek op (meerdere) leefgebieden en de zelfredzaamheid in kaart wordt gebracht. Daarnaast heeft de QuickScan als doel te bepalen of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn.
In de wet wordt gesproken over een verslag. Binnen de gemeente Hilvarenbeek wordt dit verslag in een (integrale) vraaganalyse weergegeven. Het doel van de (integrale) vraaganalyse is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Dit is vervolgens de inbreng voor het (integrale) plan van aanpak.
Een Quickscan kan in de plaats van een verslag komen indien de hulpvraag geen verdere verduidelijking behoeft.
In dit artikel is het uitgangspunt van de gemeentelijke jeugdhulp verwoord. Daarbij wordt nauw aangesloten bij het startpunt van de wetgever, zoals hierboven in het algemene deel is weergegeven. Centraal staat de zorg- en opvoedingsplicht van ouders voor hun kinderen, die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek. Zij hebben de regie in het gezin. De gemeente komt in beeld als ouders er, evt. met behulp van het sociaal netwerk, niet uitkomen. De ondersteuning van de gemeente is aanvullend en versterkend, en zo kort mogelijk, uiteraard afhankelijk van de situatie van de jeugdige en zijn ouders. Bij een blijvende lichamelijke of psychische beperking kan de ondersteuning van de gemeente voor langere tijd nodig zijn. Aangesloten wordt bij de ‘eigen kracht’ van het gezin. Vanuit deze startpositie wordt beoordeeld of jeugdhulp nodig is en ingezet wordt.
In de Jeugdwet is dit begrip gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden.
Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget.
Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag.
Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger feitelijk gelijk gesteld kan worden) worden geweigerd als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan.
Paragraaf 2. Melding en onderzoek
Artikel 29 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen
Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) en overige voorzieningen (Jeugdwet) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden.
De voorwaarden die het college aan het gebruik van algemene voorzieningen verbindt gaan om algemene criteria en voorwaarden die niet afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie van de cliënt.
Ook personen die op grond van de Wet langdurige zorg in een instelling verblijven kunnen gebruik maken van een algemene voorziening. Er worden in de verordening geen voorbeelden genoemd omdat deze voorzieningen divers kunnen zijn en aan verandering onderhevig.
Artikel 30 Cliëntondersteuning
Binnen de door de gemeente vastgestelde ondersteuningsstructuur wordt cliëntondersteuning geboden. Professionals bieden onafhankelijk informatie en advies en ondersteuning.
In het geval een inwoner behoefte heeft aan onafhankelijk ondersteuning door een professional die geen deel uitmaakt van de lokale ondersteuningsstructuur is cliëntondersteuning beschikbaar door een door de gemeente aangewezen instantie. De inwoner kan ook andere instanties of personen hiervoor benaderen.
Het staat de cliënt vrij om zich bij te laten staan door iemand van zijn/haar keuze (vrijwillig of professioneel) uit zijn/haar sociale netwerk dan wel dorpsnetwerk.
Het verstrekken van informatie over onafhankelijke cliëntondersteuning vindt plaats na melding dan wel tijdens het eerste gesprek dat met inwoners in het kader van het onderzoek wordt gevoerd. Daarnaast communiceren we dit via de gemeentelijke communicatiekanalen.
Artikel 31 Toegang jeugdhulp via de gemeente
Voor deze verordening is het begrip “melding” van toepassing op jeugdhulp.
Met de melding maakt een persoon, of iemand namens deze persoon, zijn behoefte aan jeugdhulp kenbaar bij het college. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van jeugdhulp, is dus niet een melding in de zin van deze verordening.
Een melding kan gedaan worden in persoon bij een door het college vastgestelde professional uit het dorpsnetwerk van de inwoner. Als de inwoner zich daarbij niet prettig voelt, staan er ook andere mogelijkheden open om zich te melden, waaronder digitaal, schriftelijk of telefonisch.
Een melding zal gevolgd worden door een gesprek met een door het college aangewezen medewerker. Wie dat is, is afhankelijk van de gestelde hulpvraag en of iemand al bekend is. Dit kan ook via het SamenZorgTeam(SZT) als er sprake is van complexe, op meerdere leefgebieden, specialistische problematiek en onvoldoende zelfredzaamheid van de cliënt.
Als de situatie van de cliënt bij de medewerker voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de cliënt worden beperkt tot de onderdelen die volgens de medewerker en de cliënt of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger van belang zijn in relatie tot de melding. Dit mag echter niet ten koste gaan van de integraliteit.
Het onderzoek bestaat uit een QuickScan en/of een (integrale) vraaganalyse.
Vervolgens is zorgvuldig dossiervorming en zorgvuldige procedure van belang. Het doel van het opstellen van een onderzoek ( met de middelen QuickScan en (Integrale) vraaganalyse) is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.
In Hilvarenbeek wordt gewerkt met de QuickScan en of de eventueel daaropvolgende (integrale) vraaganalyse, deze zijn een weergave van het onderzoek. Indien er behoefte bestaat aan een ondersteuning zal er een (integraal) plan van aanpak worden opgesteld, waarin, zoveel als mogelijk, samen met de cliënt de afspraken worden vastgelegd over de inzet van eigen kracht, het sociale netwerk en/of professionals, die nodig zijn om de gewenste resultaten te bereiken.
Artikel 33 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus in overleg feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2).
De toets als bedoeld in het tweede en derde lid is bedoeld om een deskundige toeleiding naar de juiste jeugdhulp te ondersteunen. In de Memorie van toelichting op de Jeugdwet wordt deze bevoegdheid als volgt omschreven: 'De gemeente kan in haar verordening niet alleen aangeven welke vormen van jeugdhulp alleen na een besluit van de gemeente of een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts toegankelijk zijn, maar ook de voorwaarden waaronder deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg verkregen kunnen worden. Met andere woorden, de jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling welke vorm van jeugdhulp, met welke frequentie en voor hoe lang gebonden aan hetgeen de gemeente hierover in de verordening heeft opgenomen.' Door deze voorwaarde in de verordening op te nemen zijn de jeugdhulpaanbieders gebonden aan het oordeel van het college na toetsing van de aanvraag.
Artikel 34 Toegang jeugdhulp via justitieel kader
Een verzoek ten aanzien van een machtiging gesloten jeugdzorg wordt, conform artikel 6.1.8 eerste lid Jeugdwet, door het college van de gemeente waar de jongere woont ingediend.
De uitzondering op deze regel wordt verwoord in het tweede lid van dat artikel. Als er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, dan is het de GI die het genoemde verzoek indient en niet het college. In de Memorie van Toelichting bij de Veegwet VWS 2015 (Kamerstukken II, 2014/15, 34 191, nr. 3) geeft de wetgever eveneens aan dat artikel 2.11 er toe strekt “de kwaliteit van de voorzieningen op grond van de Jeugdwet te waarborgen alsmede de goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit ervan”. Er wordt vervolgens duidelijk aangegeven dat er in “de parlementaire behandeling diverse malen is aangegeven dat het college de mogelijkheid heeft om jeugdhulpaanbieders te mandateren om namens het college te besluiten welke jeugdhulp jeugdigen of ouders nodig hebben.”
Door deze voorgenomen wijziging in de Jeugdwet is daarmee artikel 2.11 eerste lid Jeugdwet verduidelijkt; het college heeft, na inwerkingtreding van de Veegwet VWS 2015, de mogelijkheid om de vaststelling van rechten en plichten, als bedoeld in een verleningsbesluit, te mandateren.
Artikel 35 Spoedeisende ondersteuning
Als het spoedeisende jeugdhulp betreft, kan het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3 juncto artikel 6.1.8 van de Jeugdwet aanvragen. Dit betreft een nieuwe collegebevoegdheid binnen het vrijwillig kader.
Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs een voorwaarde. Onder adviserende instantie kan ook begrepen worden het expertteam vanuit een de combinatie van zorgaanbieders zoals deze met ingang van 1 januari 2023 is ingekocht.
Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.
In artikel 8.1.2 Jeugdwet van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.
Het adviesverzoek zal veelal plaatsvinden in de onderzoeksfase. Dit is na melding en voorafgaande aan de aanvraag. Het zal dan deel uitmaken van het onderzoek waartoe de gemeente verplicht is. Het advies zal, indien het tot een aanvraag komt, meegenomen worden in de afhandeling van die aanvraag. Indien nodig kan een advies ook plaatsvinden in de aanvraagfase.
Paragraaf 3. Aanvraag en besluit
Artikel 37 Aanvraag individuele voorziening
Als de cliënt besluit een aanvraag in te dienen voor een individuele voorziening, moet dit schriftelijk gebeuren.
In nadere regels kan het college vastleggen op welke wijze een aanvraag gedaan moet worden. Dit kan een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier zijn, maar het college kan hiertoe andere mogelijkheden openstellen.
Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een individuele voorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget.
De in het derde lid onder c genoemde motivatie moet in het besluit worden opgenomen. De motivering moet namelijk een besluit dragen. Het college stelt regels waarop dit plaats zal vinden.
In het zesde lid is opgenomen dat het college het nemen van een besluit kan mandateren aan een derde. In het kader van de nieuwe inkoop wordt het plan van aanpak bij hoogspecialistische jeugdhulp in de vorm van zorg in natura ook gezien als beschikking. Dit plan van aanpak wordt opgesteld door de ingekochte zorgaanbieder. Dit is alleen mogelijk als het college de zorgaanbieder mandateert.
Paragraaf 3.1. inzet individuele voorzieningen
Artikel 39 Inzet voorzieningen
De wetgever waagt zich binnen de Jeugdwet niet aan een definitie voor voorziening, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben.
Het college kan voorwaarden of verplichtingen verbinden aan individuele voorzieningen. Dat kunnen algemene voorwaarden en verplichtingen zijn.
Lid 6 biedt de mogelijkheid om maatwerk in de vorm van Persoonlijk Passend Pakket(P.P.P.) in te zetten. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om ‘out of the box’ oplossingen te zoeken. In enkele gevallen namelijk is de ondersteuning welke geboden wordt op basis van een individuele voorziening, overige voorziening of andere voorziening onvoldoende om de beperkingen, welke de cliënt in de zelfredzaamheid ondervindt, op te heffen dan wel te verminderen. Om hier toch de juiste ondersteuning in te kunnen zetten is er de mogelijkheid gecreëerd om hier een andere vorm van maatwerk in te zetten.
Artikel 40 Individuele voorzieningen
Als algemene voorzieningen niet/onvoldoende in de behoefte aan jeugdhulp kunnen voorzien, kan een individuele voorziening op zijn plaats zijn. Dat vraagt altijd een individuele beoordeling. In dit artikel staan een aantal vormen genoemd die kunnen worden ingezet. Blijkt in een uitzonderlijk geval de inzet van andere – niet genoemde – voorzieningen nodig, dan is het college verplicht te regelen dat die ingezet worden, ook al is die vorm niet gecontracteerd.
Onderscheid is gemaakt tussen voorzieningen die aan een jeugdige in de thuissituatie kunnen worden verstrekt, en voorzieningen die kunnen worden ingezet als de jeugdige in het kader van jeugdhulp elders verblijft, bijvoorbeeld in een instelling of een beschermde woonvorm.
Artikel 41 Vervoer van en naar hulpaanbieder
Met dit artikel willen we de verantwoordelijkheid voor het vervoer voor jeugdhulp zoveel als mogelijk de verantwoordelijkheid van de ouders laten zijn.
Paragraaf 3.2 Criteria voor verstrekking van een individuele
Artikel 42 Algemene criteria voor een individuele voorziening
In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is dit vormgegeven.
Het college stelt vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Vervolgens moet het college concreet maken om welke problemen of stoornissen het gaat. Daarna beoordeelt het college welke hulp de jeugdige gelet op deze problematiek nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Vervolgens beoordeelt het college wat de jeugdige en zijn ouders zelf kunnen doen (eigen kracht – zie ook artikel 3.4). Tot slot kijkt het college of er andere mogelijkheden zijn om in de behoefte aan jeugdhulp te voorzien, zoals een voorliggende voorziening, dwz. een voorziening op grond van een andere wet als de Jeugdwet die een oplossing geeft voor de hulpvraag (artikel 1.2 Jeugdwet). Deze stappen volgen al uit artikel 2.3 Jeugdwet, maar zijn hier als voorwaarden voor individuele voorzieningen opgenomen.
Hier is opgenomen dat voor jongeren van 16+ een plan van aanpak opgesteld wordt waarin perspectief geboden wordt richting het bereiken van de 18 jarige leeftijd. Er ligt hier breed een verplichting voor zowel de gemeentelijke toegang, het medisch domein, gecertificeerde instelling en de jeugdhulp aanbieder. Bij het bereiken van uiterlijk de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en zo ja hoe de ondersteuning er na het bereiken van de 18 jarige leeftijd de ondersteuning eruit ziet.
Belangrijk uitgangspunt bij het inzetten van voorzieningen, is dat het college het beschikbare budget doelmatig besteed. Daarom kiest het college, rekening houdend met alle relevante factoren (zie artikel 2.3), voor de voorziening die de gemeente het minste kost, als er een keus gemaakt kan worden uit meerdere voorzieningen.
Artikel 43 Eigen kracht binnen de Jeugdwet
De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 on een drietal uitspraken vastgesteld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe invulling wordt gegeven aan de voorwaarde ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ (eigen kracht) van ouders. Die invulling staat in dit artikel. De afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht.
In lid 1 staat dat ouders en jeugdigen primair zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van een antwoord op de opgroei- en opvoedingsvragen die zij hebben. Zij zetten hun eigen kracht daarvoor in. Artikel 1.2 is onverminderd van toepassing: voor ouders geldt dat zij een zorgplicht hebben voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Deze verplichting vloeit voort uit de artikelen 1:82 BW en 1:247 BW, en omvat o.a. ouderlijk toezicht, verzorging, begeleiding en opvoeding.
Hier worden vier situaties genoemd waarin sprake is van eigen kracht. Activiteiten, handelingen e.d. die als gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp van ouders kunnen worden aangemerkt, vallen onder het begrip ‘eigen kracht’ (zie de definitie uit artikel 1 lid 1 onderdeel d). De inzet van sociaal netwerk en het benutten van andere passende voorzieningen vallen daar ook onder. Bij dergelijke voorzieningen gaat het niet alleen over wettelijke voorzieningen, zoals op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, maar ook diensten die maatschappelijke organisaties aanbieden, zoals coaching, schuldhulpverlening, opvoedondersteuning e.d. Die inzet moet dan wel concreet beschikbaar zijn. Het college moet dat onderzoeken. Deze bepaling moet ook worden gelezen in samenhang met artikel 1.2 (Uitgangspunt). Daar is verwoord, dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Dat geldt in principe ook als de zorg verder gaat dan wat in het algemeen verwacht mag worden van ouders, bijvoorbeeld omdat ze omvangrijker, intensiever of langduriger is dan wat gebruikelijk is (bovengebruikelijke hulp).
Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp vallen onder de zorgplicht/verantwoordelijkheid van ouders voor hun kinderen, en daarmee de ‘eigen kracht’ van ouders. Van ouders wordt in beginsel verwacht dat zij hun gezins- en maatschappelijk leven zo organiseren, dat ze hun kinderen de zorg en opvoeding kunnen geven die nodig is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan voor handelingen en activiteiten die onder gebruikelijke hulp vallen, een individuele voorziening worden gegeven. De ‘eigen kracht’ van ouders schiet dan tekort. Er moet dan wel echt iets bijzonders aan de hand zijn, waardoor de zorg niet door de ouders geleverd kan worden. (dreigende) Overbelasting en aantoonbare belemmeringen aan de kant van de ouders kunnen daarvoor een aanleiding vormen. Het is aan ouders om dat aan te tonen. De capaciteiten en de beschikbaarheid van de ouders spelen daarbij een belangrijke rol (afwegingsfactoren). Van ouders wordt verwacht dat zij overbelasting voorkomen (zie ook lid 7) en werken aan versterken van hun belastbaarheid. Dit geldt ook voor kortdurende bovengebruikelijke hulp (voor een kortere, afgebakende periode, max. drie maanden). De gemeente kan dan bijspringen om ouders te ondersteunen. Die ondersteuning is in principe tijdelijk, totdat ouders weer zelf de zorg en opvoeding op zich kunnen nemen. Uiteindelijk gaat het erom dat draagkracht en draaglast van het gezin weer in balans komen. Voor langdurige bovengebruikelijke hulp (in de regel structureel, langer dan drie maanden) geldt een iets genuanceerdere toets (zie verder lid 5).
Om te kunnen bepalen wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp, geldt een aantal factoren waarmee rekening moet worden gehouden. Die zijn hier beschreven. Het komt er kortgezegd op neer, dat aan de hand van deze factoren onderzocht wordt of de hulp past bij een kind dat zich op een gangbare manier ontwikkelt. Is dat het geval, dan kunnen we spreken van gebruikelijke hulp. Omdat we echter niet zonder meetlat kunnen bij het bepalen wat in het algemeen een normaal ontwikkelingsprofiel is, maken we gebruik van de uitgangspunten, genoemd in de CIZ-indicatiewijzer 2014, Richtlijnen voor Gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel bij verschillende leeftijden in relatie tot AWBZ-zorg (Paragraaf 3 van bijlage 3 bij de Beleidsregels: Gebruikelijke zorg). Dit wordt verder uitgewerkt in beleidsregels. Het gaat om een richtlijn en uitgangspunten, dus maatwerk is mogelijk. Daarbij kan bijv. ook de culturele achtergrond betrokken worden.
Bij langdurige of structurele hulpvragen onderzoekt het college een aantal zaken. Dat onderzoek gaat verder dan alleen maar de vraag of er (dreigende) overbelasting is of bepaalde belemmeringen in de gezinssituatie, zoals een verstandelijke beperking bij de ouders. Doorslaggevend is of de bovengebruikelijke hulp nog kan worden verlangd van ouders. Dat vraagt een totaalbeoordeling op basis van de genoemde afwegingsfactoren. Deze zijn bepalend voor de vraag of ouders uitdrukking moeten geven aan hun zorgplicht, of dat aanvullende jeugdhulp ingezet kan worden. Daaronder valt ook het belang om te voorzien in een inkomen. Leidt de zorg voor kinderen ertoe dat ouders niet langer kunnen rondkomen en in de bestaanskosten kunnen voorzien, dan is dit een belangrijke afwegingsfactor en een belangrijke aanwijzing dat jeugdhulp op zijn plaats kan zijn. De hier genoemde afwegingsfactoren komen inhoudelijk overeen met de factoren uit artikel 3.12 lid 7 van de Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2025, maar zijn hier kernachtiger weergegeven. Zo wordt onder het begrip ‘mogelijkheden’ niet alleen vaardigheden verstaan, maar ook de situatie waarin de jeugdige of ouders zich bevindt.
Ook bij langer durende bovengebruikelijke hulp geldt het uitgangspunt dat ouders verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Ook die hulp valt onder de zorgplicht en de ‘eigen kracht’ van de ouders. Toch kunnen er omstandigheden zijn waaronder dat niet langer van de ouders kan worden gevraagd. Dat wordt beoordeeld op basis van de afwegingsfactoren uit het vijfde lid. Uiteindelijk gaat het bij langer durende bovengebruikelijke hulp om de vraag hoe de balans in het gezin hersteld kan worden en welke rol de gemeente daarin kan spelen. Enige verstoring van die balans moet in de regel ook worden geaccepteerd door de ouders. Dan kan extra inzet van de ouders nodig zijn. Duurt dat langer en is de balans ernstig verstoord, dan komt aanvullende inzet van de gemeente in beeld.
Van ouders wordt verwacht dat zij zich – binnen hun mogelijkheden – inzetten om zelf de problemen bij de opvoeding en het opgroeien op te lossen, zodat de ondersteuning van de gemeente zo kort mogelijk is. Het is uiteindelijk hun taak kinderen te verzorgen en op te voeden, niet die van de gemeente. Dat kan soms bijvoorbeeld door aanpassing van werkritme en -patroon, of door beperking van andere activiteiten buiten het gezin. Maar ook andere opties kunnen in beeld komen.
Paragraaf 3.3 Een gezin, een plan een aanspreekpunt
Artikel 43 Verstrekking binnen een gezin
Binnen de gemeente Hilvarenbeek is ‘een gezin, een plan, een aanspraakpunt’ een belangrijk uitgangspunt. In dit kader wordt er naar gestreefd dat als er ondersteuningsbehoefte bestaat zowel met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning als met betrekking tot de Jeugdhulp hier te komen tot een integraal plan van aanpak. Dat wordt in dit artikel onderstreept.
Paragraaf 4 Persoonsgebonden budget
Artikel 44 Mogelijkheid tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget
Op grond van artikel 8.1.1. Jeugdwet moet de cliënt voldoen aan een aantal voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze zijn:
- –
- –
- –
Ook bepaalt de wet dat het college een pgb kan weigeren:
- –
- –
indien het college eerder een beslissing voor het verstrekken van een individuele voorziening dan wel maatwerkvoorziening of pgb heeft herzien in verband met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de individuele voorziening of pgb of bij een onjuiste besteding van een pgb.
Om te kunnen vaststellen of de cliënt aan deze voorwaarden voldoet, wordt van de cliënt verwacht dat hij een gemotiveerd verzoek indient als hij voor een pgb in aanmerking wil komen. Aan dit verzoek wordt een aantal eisen verbonden, dat is opgenomen in het eerste lid.
In het tweede lid zijn aanvullende eisen voor een pgb opgenomen.
Uitgangspunt is dat de cliënt naar het oordeel van het college voldoet aan alle in artikel 8.1.1. Jeugdwet genoemde voorwaarden en dat op de cliënt ook niet de in dat artikel genoemde weigeringsgronden van toepassing zijn.
Als een cliënt niet zelf tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, moet zijn gewaarborgd dat een derde die de cliënt daarbij ondersteunt hiertoe wel in staat is en er ook geen ongewenste belangenverstrengeling aan de orde is. Om die reden moet een aantal voorwaarden door het college gesteld worden aan deze begeleiding.
In het vierde lid is een aantal aanvullende weigeringsgronden opgenomen:
Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 35 is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning. In zo’n geval is de ondersteuning niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.
Besteding van een pgb in het buitenland is alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het college zal hierbij toetsen of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen resultaatgebieden.
Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem begeleidt met het beheer van het pgb. Ook mogen er van het pgb geen administratiekosten worden betaald. Ook de eigen bijdrage mag niet uit het pgb betaald worden.
Bij de inzet van Pgb moet de cliënt kiezen om deze òf in natura òf in de vorm van een pgb te ontvangen. Hierop bestaat een uitzondering, nl. indien er ook een pgb ingezet wordt vanuit informele zorg, dit moet naast de zorg in natura mogelijkheid blijven.
Artikel 45 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp
Afhankelijk van de hulpvraag kan het college professionele hulp en andere vormen van hulp (informele hulp) inzetten via een pgb. Het onderscheid is van belang voor de tariefstelling. De gemeente kan voor informele hulp een ander tarief hanteren. Dit sluit aan bij de systematiek uit de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Wanneer het professionele en wanneer het informele tarief geldt, moet de gemeenteraad in de verordening regelen.
Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep én als voldaan wordt aan een aantal kwaliteitscriteria. De hulp moet worden verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van professionele hulp is sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ- of andere erkende registratie heeft. Dat kan verder worden ingekleurd in Nadere regels.
Onder informele hulp wordt alle hulp verstaan die geboden wordt door personen die niet aan de gestelde criteria voor beroeps- of bedrijfsmatige jeugdhulp voldoen. Personen die jeugdhulp bedrijfs- of beroepsmatig verlenen, maar niet aan de gestelde kwaliteitscriteria uit het tweede lid voldoen, worden daarom ook aangemerkt als informele hulpverlener.
Bij de hier genoemde groep personen is er altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een sociale relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.
Artikel 46 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp
Het budgetplan vormt de basis om vast te stellen of aan de voorwaarden voor een pgb is voldaan en zo ja, wat dan de hoogte van het tarief voor het pgb wordt. Als het budgetplan onvoldoende informatie bevat, kan het college om aanvulling vragen. Geeft het budgetplan uiteindelijk nog onvoldoende zekerheid, dan kan het pgb worden afgewezen en wordt zorg in natura ingezet. Het college kan over het budgetplan nadere regels stellen.
Het tarief voor professionele jeugdhulp wordt gesteld op een percentage (85%) van de zorg in natura tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden (lid 6). Het tarief is lager dan de zorg in natura-tarieven, gelet op het ontbreken van een aantal kosten voor de budgethouder.
Ook voor de tarieven voor professionele jeugdhulp geldt, dat deze wijzigen vanaf de datum waarop de tarieven voor zorg in natura wijzigen.
Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, is in beginsel aan deze voorwaarde voldaan. Blijkt dat in een individueel geval niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de passende jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet geldt (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO).
Bij ondersteuning vanuit het informele circuit zullen deze kosten nog lager zijn. Bij informele zorg is men inmiddels ook gehouden om, ingeval van een arbeidsovereenkomst, het wettelijk minimum loon uit te betalen.
Voor informele ondersteuning gegeven door een niet professional niet behorende tot de familie/sociaal netwerk geldt een tarief van 125% van het wettelijk minimum loon.
In aansluiting op het uitgangspunt, dat voor de minst kostbare oplossing wordt gekozen om aan de hulpvraag tegemoet te komen, als er verschillende passende oplossingen zijn, geldt ook voor de tariefstelling, dat uitgegaan wordt van een lager tarief dan de norm, als degene die jeugdhulp verleent, bereid is om dat voor een lager bedrag te doen.
Artikel 47 Besteding en verantwoording van het pgb
De Sociale Verzekeringsbank beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit aan de leverancier of dienstverlener, op basis van de facturen die de cliënt bij de Sociale Verzekeringsbank indient.
Het college zal in nadere regels vastleggen welke regels er voor de cliënt gelden ten aanzien van de besteding en verantwoording van het pgb. Daarbij staat voorop dat het pgb zal moeten worden besteed voor het bereiken van de vastgestelde resultaten.
Ook zal het niet mogelijk zijn om een pgb onbeperkt op te sparen.
Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp
Paragraaf 1. Bestrijding misbruik, kwaliteit en veiligheid, klachten en medezeggenschap
Artikel 48 Kwaliteitseisen aanbieders zorg in natura
In artikel 3.1 Wmo 2015 staat dat de aanbieder van een voorziening er zorg voor moet dragen dat een voorziening van goede kwaliteit is. De voorziening wordt in ieder geval:
- a.
- b.
- c.
- d.
In dit artikel worden de wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen die worden gesteld aan de aanbieder verder uitgebreid. Zo worden er eisen gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de deskundigheid van het ingezette personeel.
In de Jeugdwet worden in paragraaf 4.1 vergelijkbare kwaliteitseisen gesteld aan de hulp die de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling aanbiedt. In dit artikel worden deze wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen die worden gesteld aan de aanbieder, verder uitgebreid. Zo zal het college een keurmerk of vergelijkbare kwaliteit eisen van een aanbieder, als er voor zijn branche een keurmerk bestaat. Daarnaast worden er eisen gesteld aan het ingezette personeel. Ook wordt er op gewezen dat de hoofdaannemer er zorg voor draagt dat de door hem ingezette onderaannemers aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen. De kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten die met de aanbieders worden afgesloten.
Het college ziet toe op de naleving van de gestelde kwaliteitseisen onder andere door het instellen van een periodiek cliëntervaringsonderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat een cliënt in staat moet zijn om te beoordelen of een resultaat behaald wordt en daarmee ook de nodige kwaliteit.
Artikel 49 Kwaliteitseisen zorg- en dienstverleners persoonsgebonden budget
De kwaliteitseisen zoals bepaald voor aanbieders zorg in natura hebben tevens betrekking op de kwaliteit van de voorziening die een cliënt met een pgb inkoopt. Welke kwaliteitseisen de cliënt wil stellen, is in eerste instantie aan de pgb-houder. Echter, slechts voor professionele dienstverlening wordt het formele tarief verstrekt. Het college kan de kwaliteit van de aanbieder toetsen in relatie tot het bereiken van de in het pgb-plan gestelde doelen en resultaten, de doelmatigheid en de veiligheid. Het college weegt bij de beoordeling mee of de diensten, hulpmiddelen woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. De gemeente vraagt hiervoor de cliënt dit inzichtelijk te maken. Het college stelt hier nadere regels voor.
Artikel 50 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door aanbieders
Op 1 juni 2017 trad het gewijzigde uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in werking. Er is een nieuw artikel 5.4 toegevoegd aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dat tot doel heeft dat een gemeente een reële prijs betaalt voor een Wmo dienst, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen van kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die deze dienst verleent aan de cliënt. Naar aanleiding hiervan wordt de verordening aangepast. De AMvB is van toepassing op alle vormen van Wmo-dienstverlening, uitgezonderd de verstrekking van (vervoer)hulpmiddelen en woningaanpassingen.
De Nota van Toelichting bij dit gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verbreedt de nieuwe regels ook tot het beleidsdomein Jeugdhulp. Want gemeenten en aanbieders werken aan nieuwe vormen van dienstverlening aan cliënten over de grenzen van de afzonderlijke wetten voor het sociaal domein. Hoewel het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit alleen ziet op diensten in het kader van de Wmo 2015, levert dat geen beperking op voor het verlenen van sociaal domein brede opdrachten. Artikel 2.12 van de Jeugdwet bevat immers eenzelfde inhoudelijke strekking als artikel 2.6.6 van de Wmo 2015 en vraagt op vergelijkbare wijze van de gemeenteraad bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van een voorziening.
In het eerste lid wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. Wmo 2015, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.
Lid 2. Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, Wmo 2015 en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.
Het derde lid stelt dat het college de vaste prijs of de reële prijs minimaal moet baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen.
Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Het vijfde lid stelt dat het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 Wmo 2015). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.
Artikel 51 Melding calamiteiten en geweld
De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening en aanbieders van de Jeughulp dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit geldt ook voor het door het college aangewezen medewerkers en beroepskrachten in het dorpsnetwerk waar inwoners zich kunnen melden.
De aanbieder en de medewerker heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder.
Artikel 52 Klachten tegen medewerkers
De cliënt heeft de mogelijkheid om bij de gemeentelijke organisatie een klacht in te dienen over de wijze waarop hij bejegend wordt dan wel de wijze waarop de afhandeling van melding en aanvraag heeft plaats gevonden door een door het college aangewezen medewerkers.
Artikel 53 Klachten aanbieders
Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening en iedere aanbieder van Jeugdhulp is verplicht te beschikken over een klachtenprocedure. Tot deze klachtenregeling kan ook behoren een cliënt ervaringsonderzoek.
Voor aanbieders van maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening en aanbieders jeugdhulp is het verplicht om een regeling te treffen voor medezeggenschap. Dit zal in veel gevallen een cliëntenraad zijn. Op deze manier kunnen cliënten invloed uitoefenen op besluiten die voor hen van belangzijn. Paragraaf 4.2.b Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015.
De aanbieders zijn verplicht helder te maken hoe de medezeggenschap en klachtenregeling bij hun organisatie is geregeld.
Artikel 55 Betrokkenheid inwoners bij de uitvoering van de wet
Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, Wmo 2015. Het wordt aan het college overgelaten hoe invulling te geven aan de medezeggenschap van burgers.
Hier is deels invulling aangegeven middels de Verordening Participatieraad Sociaal Domein gemeente Hilvarenbeek 2019. Het uitgangspunt van deze verordening is dat de vertegenwoordiging zo breed als mogelijk binnen het sociaal domein moet worden vorm gegeven.
De hierboven genoemde verordening staat er echter niet aan in de weg dat het college ook nog op andere wijze de inwoners betrekt bij de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.
Paragraaf 2. Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen en herziening, intrekking en terugvordering
Artikel 56 Tegengaan oneigenlijk gebruik
De raad zet in op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
Daartoe is in dit artikel een aantal maatregelen opgenomen die in dit kader in ieder geval van het college worden verwacht.
Het gaat bijvoorbeeld om een goede toegangsprocedure, resultaatsturing, monitoring en het aanwijzen van toezichthouders.
Ten aanzien van pgb-verstrekkingen speelt daarnaast een rol dat er in geval dienstverlening sprake is van een trekkingsrecht: de cliënt krijgt het pgb niet in handen, maar de rekeningen worden gedeclareerd bij het SVB die deze vervolgens na controle uitkeert.
Artikel 57 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Het artikel is voor een groot deel een herhaling van wat in de jeugdwet en de Wmo 2015 is opgenomen.
Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
In lid 2 onder en lid 5 is de mogelijkheid gegeven om bij een derde (zorgaanbieder) een pgb terug te vorderen.
Daarnaast wordt bij overlijden of bij verhuizing buiten de gemeente de restwaarde van de voorziening terug gevraagd Er is geen juridische basis voor het terug vorderen van het pgb, maar de voorziening is verstrek met gemeenschapsgeld en ligt voor de hand dat dit geld terug vloeit naar de gemeente.
Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder d (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).
Lid vier maakt een onderscheid tussen de Jeugdwet en de WMO 2015. Binnen de Jeugdwet is terug vordering mogelijk als de verstrekking van de voorziening heeft plaatsgevonden op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Binnen de Wmo 2015 daarbij sprake zijn van opzet. Is er geen sprake van opzet dan kan er ook niet terug gevorderd worden.
Voor beide geldt overigens ook dat er teruggevorderd kan worden als door de cliënt medewerking verleend is aan het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens.
De terugvordering van een maatwerkvoorziening geschiedt op basis van de kostprijs van de maatwerkvoorziening. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat het college de maatwerkvoorziening terug te halen. Ook een met een pgb betaalde voorziening kan het college in voorkomende gevallen terugvragen als het besluit tot verstrekking van het pgb is ingetrokken.
Artikel 58 Opschorting betaling uit het pgb
Hoofdstuk 4. Overgangsrecht en slotbepalingen
Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. Of daarvoor bijvoorbeeld de consumentenprijsindex (cpi) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt genomen, of een andere index, kan per voorziening door het college worden bepaald.
Voor de indexering van pgb vanuit informele ondersteuning wordt aansluiting bij het wettelijk minimum loon.
Artikel 60 Nadere regels en beleidsregels
Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening.
Nadere regels zijn slechts mogelijk, voor zover dit past binnen de artikelen 147 en 156 van de Gemeentewet en op basis van de Wmo 2015 en Jeugdwet niet is bepaalt dat de regels bij verordening moeten worden vastgesteld. Bij een aantal artikelen in deze verordening staat expliciet opgenomen dat hierover nadere regels (kunnen) worden opgesteld.
Op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hoeft dit formeel niet in deze verordening te worden opgenomen dat het college ook bevoegd is tot het vaststellen van beleidsregels omdat het college de taak heeft de Wmo 2015 en de Jeugdhulp uit te voeren en daarmee ook de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels. Voor de volledigheid is deze bevoegdheid toch in dit artikel opgenomen, zodat hier geen twijfel over kan bestaan.
Onder beleidsregel wordt in de Awb verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.
Artikel 61 Onvoorzien en hardheidsclausule
Mocht in bepaalde gevallen niet worden voorzien door de verordening, dan wordt het college alsnog de mogelijkheid geboden hier alsnog in te voorzien.
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan enkel ten gunste, niet ten nadelen van de aanvrager. Benadrukt wordt dat slechts in bijzondere gevallen gebruik gemaakt kan worden van de hardheidsclausule. Het college geeft bij toepassing van deze clausule duidelijk aan waarom van de verordening moet worden afgeweken.
Artikel 62 Intrekking oude verordening
Artikel 63 Overgangsbepalingen
In dit artikel wordt het overgangsrecht geregeld voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordeningen.
De overgangsbepalingen hebben slechts betrekking op de situatie waarin voor inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag voor ondersteuning is ingediend.
In het eerste lid is geregeld dat op een aanvraag die voor 1 januari 2023 is ingediend, maar waarop op 1 januari 2023 nog niet is beslist, de afhandeling geschiedt op basis van de deze verordening.
In bezwaarprocedures is de regelgeving van toepassing die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit waartegen bezwaar is ingediend.
In de verordening zijn eisen opgenomen die betrekking hebben op de werkwijze en organisatie van aanbieders van (maatwerk)voorzieningen. Er kan sprake zijn van een overeenkomst of subsidierelatie met een aanbieder die al voor de inwerkingtreding van deze verordening is ingegaan. In dat geval zullen niet altijd alle eisen zijn opgenomen die nu in de verordening zijn opgenomen. De eisen zullen dan pas kunnen worden opgenomen bij de verlenging van de overeenkomst of subsidierelatie of als er een nieuwe overeenkomst in werking treedt.
Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de ‘Vj&mo 2019 tot het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.