Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026

woensdag 24 december 2025
Type bekendmaking: algemeen verbindend voorschrift (verordening)



Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026

De raad van de gemeente Hilvarenbeek;

 

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders XXX;

 

Gelet op het bepaalde in artikel 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.4b, 2.1.6 en 2.6.6 van de Wmo 2015 en artikel 2.9, 2.10. 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet;

 

Besluit:

 

Vast te stellen de volgende Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026

 

Hoofdstuk 1. Maatschappelijke ondersteuning

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      aanbieder: natuurlijke personen of rechtspersonen die jegens het college verplicht zijn een algemene of maatwerkvoorziening te leveren.

    • b.

      algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:

      • niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

      • daadwerkelijk beschikbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen;

      • een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoner in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en;

      • financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau

    • c.

      algemene voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015;

    • d.

      CVV: Collectief Vraagafhankelijk Vervoer, voor het lokaal vervoer van personen met een participatieprobleem als gevolg van een beperking;

    • e.

      inwoner: cliënt zoals bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid Wmo 2015;

    • f.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek;

    • g.

      dienstverlening: ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een inwoners, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen;

    • h.

      dorpsnetwerk: het netwerk van inwoners, professionals en vrijwilligers binnen de lokale ondersteuningsstructuur, in de omgeving van de cliënt.

    • i.

      eigen bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wmo 2015;

    • j.

      instelling: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin maatschappelijke ondersteuning wordt verleend in de vorm van dienstverlening;

    • k.

      maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen als bedoeld in de Wmo 2015;

    • l.

      melding: de mededeling aan het college, bedoeld in artikel 2.3.2., eerste lid, van de Wmo 2015;

    • m.

      (integraal) plan van aanpak: de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding;

    • n.

      onderzoek: het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015;

    • o.

      Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P): een voorziening, niet zijnde een overige voorziening, voorliggende voorziening of algemene voorziening, die naast de reguliere maatwerkvoorziening en/of individuele voorziening kan worden ingezet ter ondersteuning.

    • p.

      pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1. van de Wmo 2015

    • q.

      verblijf: opvang in een instelling of beschermd wonen met samenhangende ondersteuning;

    • r.

      vergoeding: persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming die is verstrekt op grond van de Wmo 2015;

    • s.

      ZZP: Zelfstandige Zonder Personeel.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2 Reikwijdte verordening

  • 1.

    Deze verordening heeft betrekking op de maatschappelijke ondersteuning ten behoeve van inwoners van de gemeente Hilvarenbeek.

  • 2.

    In afwijking van het voorgaande lid kan deze verordening ten aanzien van opvang en beschermd wonen, al dan niet in verband met risico’s voor veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, betrekking hebben op een ieder die zich voor deze ondersteuning tot het college wendt.

Artikel 3 Vertegenwoordiger

Waar in deze verordening gesproken wordt over cliënt, kan in voorkomende gevallen ook worden bedoeld de rechtsgeldige vertegenwoordiger van cliënt.

 

Paragraaf 2. Melding en onderzoek

Artikel 4 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen

  • 1.

    Inwoners die een beroep wensen te doen op een algemene voorziening of een overige voorziening, kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van deze vrij toegankelijke voorziening.

  • 2.

    Het college kan voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van algemene en overige voorzieningen.

Artikel 5 Cliëntondersteuning

  • a.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • b.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 6 Melding hulpvraag in de gemeente

  • 1.

    Een melding kan door of namens een cliënt worden gedaan:

    • a.

      bij de door het college vastgestelde professionals uit het lokale dorpsnetwerk, in de buurt waar de persoon woont;

    • b.

      digitaal via het daarvoor door de gemeente ter beschikking gestelde digitale loket;

    • c.

      telefonisch via het centrale informatienummer van de gemeente;

    • d.

      schriftelijk;

    • e.

      via een andere, door het college geopende mogelijkheid.

  • 2.

    Het college bevestigt de melding schriftelijk. Het college informeert de cliënt of degene namens wie de melding is gedaan over de mogelijkheid om zelf een persoonlijk plan te overleggen en gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning.

  • 3.

    De schriftelijke bevestiging van de melding kan achterwege blijven als door of namens de cliënt wordt aangegeven, op basis van de verstrekte informatie naar aanleiding van de melding, geen behoefte te hebben aan een verdere behandeling van de melding.

  • 4.

    Als de in het 3e lid genoemde situatie niet van toepassing is, stelt het college een onderzoek in volgens een door het college vast te stellen procedure.

Artikel 7 Onderzoek en weergave naar aanleiding van de melding

  • 1.

    Het college voert op basis van de melding zo spoedig mogelijk een onderzoek uit ter verheldering van de hulpvraag.

  • 2.

    Het college stelt op basis van het onderzoek een (integrale) vraaganalyse op, waarin hij de bevindingen van zowel het college als de cliënt weergeeft. Als de cliënt zelf een persoonlijk plan heeft opgesteld, wordt dit in het onderzoek als uitgangspunt gehanteerd.

  • 3.

    Als de situatie van de cliënt bij het college voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de cliënt worden beperkt tot de onderdelen die volgens het college en de cliënt of zijn vertegenwoordiger van belang zijn in relatie tot de melding.

  • 4.

    Als daarvoor reden bestaat wordt er in samenspraak met cliënt een (integraal) plan van aanpak opgesteld waarin de gemaakte afspraken met de cliënt worden vastgelegd.

  • 5.

    Het college verstrekt het (integrale) plan van aanpak zo spoedig mogelijk na afronding van het onderzoek, maar binnen maximaal 6 weken na melding, aan de cliënt.

Artikel 8 Spoedeisende ondersteuning

Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 of de aanvraag van cliënt.

Artikel 9 Advisering

Het college kan een door hem daartoe aangewezen instantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

 

Paragraaf 3. Aanvraag en besluit

Artikel 10 Aanvraag maatwerkvoorziening

  • 1.

    De aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt schriftelijk ingediend.

  • 2.

    Het college kan in nadere regels bepalen of en in welke situaties voor het indienen van een aanvraag een door het college vastgesteld aanvraagformulier verplicht is;

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend.

Artikel 11 Inzet maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Het college kan voor de maatschappelijke ondersteuning maatwerkvoorzieningen beschikbaar stellen.

  • 2.

    Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van maatwerkvoorzieningen.

    • 1.

      De voorwaarden en verplichtingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op:

      • a.

        de medewerking aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte;

      • b.

        de medewerking aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het ingezette ondersteuning

      • c.

        het naleven van leef- en gedragsregels bij gebruikmaking van een voorziening;

  • 3.

    De verstrekking van maatwerkvoorzieningen geschiedt binnen de kaders van de Wmo 2015 en is gericht op het behalen van één of meer door het college, in overleg met de cliënt, vastgestelde resultaten.

  • 4.

    Het college kan als onderdeel van de maatwerkvoorziening de cliënt tevens in aanmerking laten komen voor vervoer van en naar de plaats van de inzet van ondersteuning indien dit noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid.

  • 5.

    Het college kan een maatwerkvoorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen, in pgb, als financiële tegemoetkoming of in eigendom toekennen.

  • 6.

    Naast genoemde voorzieningen in lid 1 zijn er ook voorzieningen in de vorm van maatwerk mogelijk als dit naar de mening van het college een adequate en/of goedkopere oplossing van de hulpvraag is, het zogenaamde p.p.p.

Artikel 12 Beschikking

  • 1.

    De cliënt ontvangt een beschikking op een aanvraag voor een maatwerkvoorziening waaruit concreet blijkt welke voorziening aan de cliënt wordt verstrekt; of op welke gronden deze wordt geweigerd.

  • 2.

    In de beschikking wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe de cliënt bezwaar tegen de beschikking kan maken.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      wat de motivatie is voor de toekenning van verstrekte voorziening;

    • d.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

    • e.

      welke andere voorzieningen binnen het plan van aanpak relevant zijn of kunnen zijn.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt daarnaast in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      waarvoor het pgb kan worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 5.

    Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd

  • 6.

    Het college kan het nemen van een besluit zoals genoemd in dit artikel mandateren aan een door het college aangewezen derde.

     

Paragraaf 3.1. Criteria voor verstrekking van een maatwerkvoorziening

Artikel 13 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening.

  • 1.

    Een cliënt kan alleen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening indien naar het oordeel van het college bij de cliënt de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociale netwerk, of met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen afwezig of ontoereikend zijn om:

    • a)

      de beperkingen die de cliënt ondervindt in de zelfredzaamheid of participatie te verminderen of weg te nemen en de cliënt met een, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat te stellen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving te blijven functioneren; of

    • b)

      de problemen die de cliënt ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving, als sprake is van een cliënt met psychische of psychosociale problemen of die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te verminderen of weg te nemen en de cliënt met de, al dan niet aanvullende, maatwerkvoorziening in staat wordt gesteld om zich uiteindelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

  • 2.

    Het college besluit, indien de cliënt op een maatwerkvoorziening is aangewezen, tot de goedkoopst adequate voorziening.

Artikel 14 Algemene aanvullende criteria maatwerkvoorziening

  • 1.

    In aanvulling op artikel 3.1.1 hanteert het college voor een maatwerkvoorziening, gericht op het versterken of behoud van de zelfredzaamheid of participatie de volgende criteria:

    • a.

      de cliënt heeft adequaat, binnen de eigen mogelijkheden, geanticipeerd op de aanwezige beperkingen of op de gevolgen van de diverse levensfases waar een ieder mee te maken krijgt of kan krijgen;

    • b.

      de cliënt verleent medewerking aan het opstellen en nakomen van het ondersteuningsplan dat naar het oordeel van het college noodzakelijk is;

    • c.

      de maatwerkvoorziening is, gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving en brengt geen gezondheidsrisico’s met zich mee;

    • d.

      het is geen verzoek tot vervanging van een eerder verstrekte voorziening terwijl deze nog in voldoende mate ondersteuning biedt bij de belemmeringen van de cliënt en de voorziening nog niet technisch is afgeschreven;

    • e.

      de noodzakelijke maatwerkvoorziening leidt tot meerkosten voor de cliënt ten opzichte van de situatie waarin een vergelijkbare persoon zonder dergelijke belemmeringen verkeert.

    • f.

      de noodzaak tot het opnieuw verstrekken van een voorziening valt niet aan de cliënt te verwijten;

  • 2.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt

    • a.

      wanneer de gevraagde maatwerkvoorziening mogelijk een anti-revaliderende werking heeft;

    • b.

      wanneer de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

    • c.

      indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

    • d.

      indien het een voorziening betreft die de cliënt zelf al heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij dit plaatsvond na de melding en met schriftelijke toestemming van het college;

    • e.

      voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

    • f.

      als deze niet langdurig noodzakelijk is;

    • g.

      indien de cliënt geen inwoner is van de gemeente Hilvarenbeek

Artikel 15 Aanvullende criteria voor beschermd wonen:

  • 1.

    In aanvulling op artikel 3.1.1 kan een cliënt in aanmerking komen voor opvang als hij

    • a.

      feitelijk of residentieel dakloos is, al dan niet voorgaand aan opname in een (psychiatrische) kliniek, of aan detentie, en

    • b.

      beperkt zelfredzaam is op meerdere door het college aan te wijzen leefgebieden, en

    • c.

      niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiele dakloosheid op kunnen heffen.

  • 2.

    In aanvulling op artikel 3.1.1 kan een slachtoffer van huiselijk geweld in aanmerking komen voor opvang als deze

    • a.

      slachtoffer is van geweld in huiselijke kring, en vanwege aspecten van veiligheid de thuissituatie moet verlaten, of indien sprake is van kindermishandeling en opvang van kind(eren) met de beschermende ouder/verzorger in de opvang noodzakelijk is, en

    • b.

      18 jaar of ouder is, al dan niet met kinderen, en

    • c.

      geen mogelijkheden heeft om zelf, al dan niet met gebruikmaking van het eigen sociale netwerk of door interventie van derden een veilige situatie te creëren, of in alternatieve huisvesting te voorzien.

  • 3.

    In aanvulling op artikel 3.1.1. kan een cliënt in aanmerking komen voor beschermd wonen als:

    • a.

      hij een psychiatrische aandoening heeft, en

    • b.

      er voor hem sprake is van een noodzaak tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving, waarbij die noodzaak direct voortkomt uit de psychiatrische aandoening, en

    • c.

      hij niet beschikt over alternatieven die de noodzaak voor beschermd wonen op kunnen heffen.

  • 4.

    Beschermd wonen wordt verstrekt overeenkomstig de geldende raadsverordening van de centrumgemeente Tilburg en de hierop gestoelde nadere regels en/of beleidsregels van de centrumgemeente Tilburg.

  • 5.

    In aanvulling op lid 4 wordt er geen beschermd wonen toegekend welke wordt ingezet in het buitenland, tenzij hiervoor uitdrukkelijk toestemming is verleend door het college.

     

Paragraaf 3.2. Een gezin, een plan een aanspreekpunt

Artikel 16 Verstrekking binnen een gezin

  • 1.

    Als er binnen een gezin sprake is van een behoefte aan zowel maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, verleent het college deze waar mogelijk op basis van een integraal plan van aanpak.

     

Paragraaf 4. Persoonsgebonden budget

Artikel 17 Mogelijkheid tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget

  • 1.

    Als een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, dient de inwoner daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De inwoner maakt hierbij gebruik van een door het college ter beschikking gesteld format, samen met een pgb ondersteuningsplan, waarbij de inwoner aangeeft:

    • a.

      wat hij met het pgb wenst in te kopen;

    • b.

      waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen;

    • c.

      indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren;

    • d.

      hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren;

    • e.

      op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd;

    • f.

      een onderbouwde begroting.

  • 2.

    Een pgb is alleen mogelijk als:

    naar het oordeel van het college is voldaan aan voorwaarden gesteld in artikel 2.3.6, eerste, tweede en derde lid Wmo 2015 en de weigeringsgronden van artikel 2.3.6 vijfde lid Wmo 2015 niet van toepassing zijn.

  • 3.

    Als de inwoner een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, dan mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiger niet de uitvoerder, als professioneel zorgaanbieder zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor informele zorgverleners, met uitzondering van een Particuliere dienstverlener vallend onder de Regeling Dienstverlening aan Huis, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én uitvoerder van de zorg mogen zijn.

  • 4.

    Een pgb is niet mogelijk:

    • a.

      als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5;

    • b.

      voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college, al dan niet op basis van het in het eerste lid bedoelde zorg- en budgetplan;

    • c.

      voor zover deze is bedoeld voor begeleidings- of administratiekosten in verband met het pgb.

  • 5.

    Een inwoner heeft de mogelijkheid om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatwerkvoorzieningen te betrekken van een persoon die behoort tot het informele circuit indien:

    • a)

      hij daarvoor blijkens het ingediende Pgb ondersteuningsplan aan die persoon een vergoeding verstrekt die past binnen de kaders van het maximale pgb-tarief dat het college ter beschikking stelt voor informele zorg;

    • b)

      deze zorg voldoet aan het door het college te stellen kwaliteitseisen;

    • c)

      de persoon heeft aangegeven dat het leveren van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelingen voor hem niet tot een overbelasting leidt.

  • 6.

    De ondersteuning in de vorm van dienstverlening binnen het geheel van ondersteuning kan òf in de vorm van een maatwerkvoorziening/ individuele voorziening in natura òf in de vorm van een pgb worden verstrekt. Een uitzondering hierop is een pgb inzet vanuit informele zorg. Deze ondersteuning is mogelijk naast de zorg in natura.

Artikel 18 Hoogte van het pgb en begroting

  • 1.

    De hoogte van het pgb:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de inwoner opgesteld budgetplan over hoe hij het pgb gaat besteden;

    • b.

      bedraagt niet meer dan de totale kostprijs van in de betreffende situatie goedkoopst adequate voorziening in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura, en als nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering;

    • c.

      is het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte als het college voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten.

    • d.

      wordt voor dienstverlening jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de contractueel overeengekomen index voor de betreffende maatwerkvoorziening in natura.

  • 2.

    De hoogte van een pgb voor dienstverlening wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd en bedraagt voor de inzet van dienstverlening, uitgevoerd door personen die formele hulp en ondersteuning bieden, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1ste of 2de graad van de inwoner:

    • I.

      werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden is ingeschreven in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

    • II.

      werken als Zelfstandige zonder personeel en ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

       

      De aanbieders die vallen onder I ontvangen maximaal 85% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder voor zorg in natura die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

       

      De aanbieders die vallen onder II ontvangen maximaal 85% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt. Dit tenzij op basis van het budgetplan van de inwoner passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 3.

    Als de ondersteuning wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in lid 2 is sprake van informele hulp.

  • 4.

    Bij het vaststellen van het bedrag voor een Pgb voor de inhuur van iemand uit het sociale netwerk wordt uitgegaan van de volgende tarieven:

    • bij huishoudelijke hulp: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren;

    • bij individuele begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende CAO VVT, ter vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren.

  • 5.

    In plaats van de inzet van het collectief vraagafhankelijk vervoer is de hoogte van het pgb per kilometer gelijk aan de onbelaste kilometervergoeding zoals de Belastingdienst hanteert voor woon- werkverkeer.

  • 6.

    De maximaal gesubsidieerde reisafstand bedraagt 25 kilometer. Tussen de 25 en 30 kilometer is het commerciële tarief verschuldigd.

  • 7.

    Het college kan bestemmingen aanwijzen, gelegen op een afstand van meer dan 30 kilometer van het huisadres, waarvoor het gereduceerde tarief geldt.

  • 8.

    Als het op basis van lid 1, lid 2 en lid 4 vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de ondersteuning hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.

Artikel 19 Besteding en verantwoording van het pgb

Het college kan in nadere regels criteria stellen aan:

  • a.

    de periode waarbinnen een pgb moet zijn besteed;

  • b.

    de verantwoording van het pgb.

Paragraaf 5 bijdrage in de kosten

Artikel 20 Compensatie algemeen gebruikelijke kosten

  • 1.

    De aanbieder van een algemene of maatwerkvoorziening kan aan de cliënt een bijdrage vragen ter gehele of gedeeltelijke compensatie van de algemeen gebruikelijke kosten die de cliënt uitspaart doordat deze onderdeel uitmaken van de algemene of maatwerkvoorziening voor zover dat tussen college en aanbieder is afgesproken. Het gaat hierbij in ieder geval om algemeen gebruikelijke kosten:

    • a.

      voor het gebruik van consumpties en maaltijden bij dag- en nachtopvang;

    • b.

      voor het gebruik van materialen bij dagbesteding;

    • c.

      voor het gebruik van woonruimte;

    • d.

      voor het gebruik van Vervoer op Maat;

    • e.

      voor het doen van een was;

    • f.

      voor uitstapjes.

  • 2.

    De compensatie, bedoeld in het vorige lid, wordt door het college vastgesteld op basis van objectieve Criteria.

  • 3.

    De aanbieder informeert de cliënt over de verschuldigdheid en hoogte van de bijdrage.

Artikel 21 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb

  • 1.

    Een cliënt kan voor een maatwerkvoorziening in zorg in natura of pgb een eigen bijdrage verschuldigd zijn op basis van het uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 2.

    Indien de maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing van een minderjarig kind, is de eigen bijdrage verschuldigd door de in artikel 2.1.5, eerste lid, van de wet, bedoelde persoon of personen. De eigen bijdrage is alleen verschuldigd op de meerwaarde welke optreedt als gevolg van de woningaanpassing.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is geen eigen inkomens- en vermogensafhankelijke bijdrage verschuldigd voor:

    • a.

      het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer voor sociaal-recreatief vervoer;

    • b.

      het gebruik van een doventolk;

    • c.

      de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex;

    • d.

      Voor de inzet van ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding.

Artikel 22 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb

  • 1.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb is gelijk aan de maximale eigen bijdrage die mogelijk is op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 2.

    Het college brengt de eigen bijdrage in rekening:

    • a.

      voor dienstverlening: zolang de indicatie voor de dienstverlening niet is ingetrokken en er in een periode ondersteuning is geboden;

    • b.

      voor een voorziening in natura, anders dan onder a: zolang de cliënt gebruik maakt van of in het bezit is van de voorziening of tot de kostprijs van de voorziening is bereikt.

    • c.

      voor eenmalig verstrekte voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget: tot de hoogte van het verstrekte persoonsgebonden budget is voldaan;

    • d.

      bij een periodieke pgb-verstrekking: over iedere periode waarover een pgb wordt verstrekt.

Artikel 23 Bijdrage collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV)

  • 1.

    Voor het gebruik van het CVV als maatwerkvoorziening wordt een bijdrage gevraagd ter hoogte van het door de provincie Noord-Brabant en de Stuurgroep Regiovervoer Midden-Brabant vastgestelde tarief voor gebruik openbaar vervoer. Het gaat hierbij om een instaptarief en kilometertarief

  • 2.

    In afwijking van het genoemde in lid 1 wordt in de ochtend tussen 7.00 uur en 9.00 uur het door de provincie Noord-Brabant en de Stuurgroep Regiovervoer Midden-Brabant, vrije reizigers tarief gevraagd.

  • 3.

    De cliënt mag een sociaal begeleider meenemen. Deze betaald het door de provincie Noord-Brabant en de Stuurgroep Regiovervoer Midden-Brabant vastgestelde tarief.

  • 4.

    De gemeente kan een bijdrage vragen voor het ter beschikking stellen van een pas voor het CVV.

Artikel 24 Eigen bijdrage verblijf

  • 1.

    Een cliënt kan voor verblijf in een opvang of beschermd wonen een eigen bijdrage verschuldigd zijn.

  • 2.

    Het college bepaalt bij nadere regeling:

    • a.

      Of en zo ja, de hoogte van deze eigen bijdrage, met inachtneming van het gestelde in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

    • b.

      op welke wijze de kostprijs van opvang en verblijf wordt bepaald;

    • c.

      door welke instantie in de gevallen artikel bedoeld in 2.1.4 zevende lid de eigen bijdrage voor verblijf wordt vastgesteld en geïnd.

  • 3.

    Het college kan aanvullende regels stellen ten aanzien van deze eigen bijdrage, dit met inachtneming van de het gestelde in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

     

Paragraaf 6 Mantelzorgers

Artikel 25 Blijk van waardering voor mantelzorgers

Het college draagt op passende wijze zorg voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten.

Hoofdstuk 2 Jeugdhulp

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 26 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      aanbieder: natuurlijke personen of rechtspersonen die jegens het college verplicht zijn een algemene of maatwerkvoorziening te leveren.

    • b.

      algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, die daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van zelfredzaamheid of participatie en bekostigd kan worden met een inkomen op minimumniveau;

    • c.

      algemene voorziening: vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015;

    • d.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek;

    • e.

      dienstverlening: ondersteuning die een persoon, instantie of onderneming biedt aan een inwoner, anders dan in de vorm van vervoer, woonvoorzieningen of hulpmiddelen;

    • f.

      dorpsnetwerk: het netwerk van inwoners, professionals en vrijwilligers binnen de lokale ondersteuningsstructuur, in de omgeving van de inwoner.

    • g.

      eigen kracht: de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de Jeugdwet

    • h.

      individuele voorziening jeugd: de via een verleningsbeschikking toegankelijke, op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulpvoorziening, die door het college in natura of bij pgb wordt verstrekt;

    • i.

      inwoner: een jeugdige of zijn ouders of pleegouders als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet, voor zover de jeugdige (conform de Jeugdwet) woonplaats heeft in de gemeente Hilvarenbeek

    • j.

      instelling: elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin maatschappelijke ondersteuning wordt verleend in de vorm van dienstverlening;

    • k.

      melding: melding van een behoefte aan jeugdhulp;

    • l.

      integraal plan van aanpak: plan dat door de inwoner en het college of het samenwerkingsverband hoogspecialistische zorg wordt opgesteld en ondertekend, waarin de afgesproken resultaten en de ondersteuning die daarvoor wordt ingezet worden vastgelegd en eventueel een weergave geeft van de gesprekken en/of verslaglegging;

    • m.

      onderzoek: het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, van de Wmo 2015;

    • n.

      voorliggende voorziening: een voorziening waarmee aan de hulpvraag geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen en waardoor een individuele voorziening geheel of gedeeltelijk achterwege kan blijven.

    • o.

      persoonlijk passend pakket: een vormvrije invulling van een individuele voorziening;

    • p.

      pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de Jeugdwet;

    • q.

      Perspectiefplan 18+: In geval van (verwachtte) doorgaande hulpverlening na het 18e levensjaar, het plan dat door de Opdrachtnemer wordt opgesteld ten aanzien van de verschillende leefgebieden: zorg, onderwijs, werk, vrije tijd, gezondheid en financiën.

    • r.

      verblijf: opvang in een instelling of beschermd wonen met samenhangende ondersteuning;

    • s.

      vergoeding: persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming die is verstrekt op grond van de Jeugdwet;

    • t.

      Vraaganalyse (integraal): Een instrument om zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en gewenste resultaten;

    • u.

      ZZP: Zelfstandige Zonder Personeel.

  • 2.

    Andere begrippen die in deze verordening worden gebruikt hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de daarop gebaseerde regelgeving, en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 27 Uitgangspunt

Ouders zijn als eerste verantwoordelijk voor de zorg en opvoeding van hun kinderen. Zij zetten zich ervoor in, dat hun kinderen opgroeien in een gezonde en veilige omgeving, hun talenten kunnen ontplooien en zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige en zelfredzame personen die volwaardig kunnen deelnemen aan de samenleving. Die verantwoordelijkheid hebben ouders ook als hun kinderen problemen, stoornissen of beperkingen hebben. Als ouders daar hulp bij nodig hebben, kunnen zij een beroep doen op het college, en samen bespreken welke zorg, hulp of ondersteuning er nodig is en hoe daarin voorzien kan worden. Het college hanteert bij de verlening van jeugdhulp een gezinsgerichte aanpak, waar mogelijk gericht op herstel of versterking van de eigen kracht.

Artikel 28 Vertegenwoordiger

Waar in deze verordening gesproken wordt over cliënt, kan in voorkomende gevallen ook worden bedoeld de rechtsgeldige vertegenwoordiger van cliënt.

 

Paragraaf 2. Melding en onderzoek

Artikel 29 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen

  • 1.

    Inwoners die gebruik willen maken van een algemene voorziening of een voorliggende voorziening, kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van deze vrij toegankelijke voorziening.

  • 2.

    Het college kan voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van algemene en voorliggende voorzieningen.

Artikel 30 Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat inwoners een beroep kunnen doen op kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de inwoner uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de inwoner en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 32 van deze verordening, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 31 Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1.

    Een melding kan door of namens een inwoner worden gedaan:

    • a.

      bij de door het college vastgestelde professionals uit het lokale dorpsnetwerk, in de buurt waar de persoon woont;

    • b.

      digitaal via het daarvoor door de gemeente ter beschikking gestelde digitale loket;

    • c.

      schriftelijk;

    • d.

      telefonisch via het centrale informatienummer van de gemeente;

    • e.

      via een andere, door het college geopende mogelijkheid.

  • 2.

    Het college bevestigt de melding schriftelijk. Het college informeert de inwoner of degene namens wie de melding is gedaan over de mogelijkheid om zelf een (familiegroeps-)plan te overleggen en gebruik te maken van onafhankelijke ondersteuning.

  • 3.

    De schriftelijke bevestiging van de melding kan achterwege blijven als door of namens de inwoner wordt aangegeven, op basis van de verstrekte informatie naar aanleiding van de melding, geen behoefte te hebben aan een verdere behandeling van de melding.

  • 4.

    Als de in het 3e lid genoemde situatie niet van toepassing is, stelt het college een onderzoek in volgens een door het college vast te stellen procedure.

Artikel 32 Onderzoek

  • 1.

    Het college voert op basis van de melding zo spoedig mogelijk een onderzoek uit ter verheldering van de hulpvraag.

  • 2.

    Als de situatie van de inwoner bij het college voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de inwoner worden beperkt tot de onderdelen die volgens het college en de inwoner of zijn vertegenwoordiger van belang zijn in relatie tot de melding.

  • 3.

    Het college vult op basis van een onderzoek gesprek een (integrale) vraaganalyse in, waarin hij de bevindingen van zowel de medewerker als de inwoner weergeeft. Als de inwoner zelf een (familiegroeps-)plan heeft opgesteld, wordt dit in het gesprek als uitgangspunt gehanteerd.

  • 4.

    Als daarvoor reden bestaat wordt er in samenspraak met inwoner een (integraal) plan van aanpak opgesteld waarin de gemaakte afspraken met de inwoner worden vastgelegd.

  • 5.

    Het college verstrekt de (integrale) vraaganalyse zo spoedig mogelijk na afronding van het onderzoek, maar binnen maximaal 6 weken na melding, aan de inwoner. Als er een (integraal) plan van aanpak wordt opgesteld, wordt deze ook verstrekt.

Artikel 33 Toegang jeugdhulp via het medische domein

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp na verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en zover genoemde jeugdhulpaanbieder in overleg met de inwoner van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2.

    Indien de hulpvraag van de jeugdige hoog specialistisch lijkt, verwijst het medisch domein de jeugdige door naar de toegang. De toegang gaat aan de slag met een integrale vraaganalyse.

  • 3.

    Ter waarborging van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening door een aanbieder, kan het college bij een aanvraag door een aanbieder als bedoeld in dit artikel een toets uitvoeren.

  • 4.

    De aanbieder is bij de bepaling van de voorziening, vorm, voorwaarden en looptijd van de jeugdhulp gebonden aan het oordeel van het college op grond van de toets genoemd in het vorige lid.

  • 5.

    Het college legt de te verlenen individuele voorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking of op een andere door het college vastgestelde wijze.

Artikel 34 Toegang jeugdhulp via justitieel kader

Het college zorgt voor inzet van de jeugdhulp die de rechter of de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële inrichting nodig achten bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing, of die de gecertificeerde instelling nodig acht bij de uitvoering van de jeugdreclassering.

Artikel 35 Spoedeisende ondersteuning

Het college kan in spoedeisende gevallen, daaronder begrepen de gevallen waarin terstond opvang noodzakelijk is, al dan niet in verband met risico’s voor de veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, na een melding besluiten om onverwijld en zo nodig ambtshalve, een tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.4 of de aanvraag van inwoner. Indien er sprake is van spoedeisende jeugdhulp, treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening en vraagt het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3, juncto artikel 6.1.8, van de Jeugdwet.

Artikel 36 Advisering

Het college kan een door hem daartoe aangewezen instantie om advies vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening.

 

Paragraaf 3. Aanvraag en besluit

Artikel 37 Aanvraag individuele voorziening

  • 1.

    De aanvraag voor een individuele voorziening wordt schriftelijk ingediend.

  • 2.

    Het college kan in nadere regels bepalen of en in welke situaties voor het indienen van een aanvraag een door het college vastgesteld aanvraagformulier verplicht is;

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid, kan het college in het dringende belang van de inwoner besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de inwoner een aanvraag wordt ingediend.

Artikel 38 Beschikking

  • 1.

    De inwoner ontvangt een beschikking op een aanvraag voor een individuele voorziening waaruit concreet blijkt welke voorziening aan de inwoner wordt verstrekt; of op welke gronden deze wordt geweigerd.

  • 2.

    In de beschikking wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe de inwoner bezwaar tegen de beschikking kan maken.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een individuele voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

    • c.

      wat de motivatie is voor de toekenning van verstrekte voorziening;

    • d.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

    • e.

      welke andere voorzieningen binnen het plan van aanpak relevant zijn of kunnen zijn.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt daarnaast in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      waarvoor het pgb kan worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld,

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 5.

    Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de inwoner daarover in de beschikking geïnformeerd

  • 6.

    Het college kan het nemen van een besluit zoals genoemd in lid 3 van dit artikel mandateren aan een door het college aangewezen derde.

     

Paragraaf 3.1. inzet individuele voorzieningen

Artikel 39 Inzet voorzieningen

  • 1.

    Het college kan voor de jeugdhulp individuele voorzieningen beschikbaar stellen.

  • 2.

    Het college kan nadere voorwaarden en verplichtingen verbinden aan het gebruik van individuele voorzieningen.

    • 1.

      De voorwaarden en verplichtingen kunnen in ieder geval betrekking hebben op:

      • a.

        de medewerking aan de verduidelijking van de ondersteuningsbehoefte;

      • b.

        de medewerking aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het ingezette ondersteuning

      • c.

        het naleven van leef- en gedragsregels bij gebruikmaking van een voorziening;

  • 3.

    De verstrekking van individuele voorzieningen geschiedt binnen de kaders van de Jeugdwet en is gericht op het behalen van een of meer door het college, in overleg met de inwoner, vastgestelde resultaten.

  • 4.

    Het college kan als onderdeel van de individuele voorziening de inwoner tevens in aanmerking laten komen voor vervoer van en naar de plaats van de inzet van ondersteuning indien dit noodzakelijk is in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid.

  • 5.

    Het college kan een individuele voorziening, anders dan in de vorm van dienstverlening, in bruikleen, in Pgb, als financiële tegemoetkoming of in eigendom toekennen.

  • 6.

    Naast genoemde voorzieningen in lid 1 zijn er ook voorzieningen in de vorm van maatwerk mogelijk als dit naar de mening van het college een adequate en/of goedkopere oplossing van de hulpvraag is, het zogenaamde p.p.p.

Artikel 40 Individuele voorzieningen

  • 1.

    De volgende vormen van individuele voorzieningen zonder verblijf zijn beschikbaar:

    • a.

      Hoog specialistische jeugdhulp (ambulant).

    • b.

      Dagbegeleiding.

    • c.

      Respijtzorg zonder overnachting.

    • d.

      Specialistische ambulante jeugdhulp (waaronder behandeling, begeleiding, persoonlijke verzorging, JOH, GHZ en GGZ).

    • e.

      Vervoer naar en van een jeugdhulpaanbieder in geval van:

      • dag begeleiding (lopend vervoer, rolstoel vervoer, individueel vervoer);

      • dagbehandeling (lopend vervoer, rolstoel vervoer, individueel vervoer).

  • 2.

    De volgende vormen van individuele voorzieningen met verblijf zijn beschikbaar:

    • a.

      Woonvormen (pleegzorg, gezinshuizen, kleinschalige woonvormen, kamer – en fasetraining gezinshuizen;

    • b.

      Residentieel behandelvormen (inclusief specialistische jeugd-geestelijke gezondheidszorg, zorg voor jeugdigen met een lichamelijke, verstandelijke en of zintuigelijke beperking en jeugd en opvoedhulp);

    • c.

      Gesloten verblijf;

    • d.

      Respijtzorg met overnachting;

Artikel 41 Vervoer van en naar hulpaanbieder

  • 1.

    Als de jeugdige is aangewezen op jeugdhulp zorgen ouders in beginsel voor het vervoer van en naar de locatie van de jeugdhulpaanbieder en kent het college geen vervoersvoorziening toe.

  • 2.

    Het college kent slechts een vervoersvoorziening zoals genoemd in artikel 3.1.2 lid 1sub e toe als:

    • a.

      de jeugdige is aangewezen op een individuele voorziening voor jeugdhulp en er sprake is van een medische noodzaak of een beperking in de zelfredzaamheid van de jeugdige die het zelfstandig reizen met het openbaar vervoer onmogelijk maakt

    • b.

      bij de ouders en het netwerk sprake is van een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid waardoor deze de jeugdige niet kan vervoeren of met de jeugdige kan meereizen.

  • 3.

    Bij het beoordelen van de zelfredzaamheid worden de eigen mogelijkheden en eigen kracht van ouders en netwerk onderzocht.

  • 4.

    Een vervoersvoorziening is altijd tijdelijk. De voorziening wordt beëindigd op het moment dat de medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid van de ouders of jeugdige is opgeheven.

  • 5.

    Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend.

  • 6.

    Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling van de vergoeding, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening dan wel vergoeding. Hierbij hanteert het college het principe van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate individuele voorziening.

  • 7.

    Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden waaronder een vervoersvoorziening in het kader van dit artikel wordt toegekend.

     

Paragraaf 3.2. Criteria voor verstrekking van een individuele voorziening

Artikel 42 Algemene criteria voor een individuele voorziening

  • 1.

    Jeugdigen en ouders komen in aanmerking voor een individuele voorziening, als het college vaststelt dat voldaan is aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      De jeugdhulp is nodig vanwege opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen, beperkingen of stoornissen, en stelt de jeugdige in staat om:

      • gezond en veilig op te groeien; en

      • te groeien naar zelfstandigheid; en

      • voldoende redzaam te zijn en mee te doen in de samenleving;

    • b.

      De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders is niet toereikend om in de behoefte aan jeugdhulp te voorzien, ook niet met hulp vanuit het sociale netwerk;

    • c.

      De jeugdige en zijn ouders kunnen geen beroep doen op algemene voorzieningen of voorzieningen die buiten de Jeugdwet liggen, waarmee de vastgestelde problemen in voldoende mate weggenomen kunnen worden.

  • 2.

    Als er sprake is van een aanvraag voor een individuele voorziening voor een jeugdige van 16 jaar of ouder moet er door de gemeentelijke toegang, gecertificeerde instelling, medisch domein en jeugdhulpaanbieder in het Plan van aanpak expliciet worden vermeld hoe lang de ondersteuning nodig is. Indien naar verwachting ook na het 18e jaar nog hulp nodig is wordt nagedacht op welke wijze en via welke financieringsstroom dit vorm krijgt (WMO, zorgverzekering, Wlz). Input voor het Plan van Aanpak wordt mede geleverd door jeugdhulpaanbieders via het Perspectiefplan 18+. Uiterlijk bij de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en welke ondersteuning er nodig is vanaf het 18e levensjaar en hoe dit geregeld gaat worden c.q. binnen welk wettelijk kader deze ondersteuning dient te vallen.

  • 3.

    Het college zet voorzieningen in die geschikt zijn om het beoogde resultaat van de jeugdhulp te bereiken. Zijn er meerdere geschikte voorzieningen beschikbaar, dan zet het college de goedkoopste voorziening in.

Artikel 43 Eigen kracht binnen de Jeugdwet

  • 1.

    Ouders en jeugdigen zijn in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het organiseren van passende ondersteuning bij opgroei- en opvoedvragen. Zij komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf met de inzet van eigen kracht geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag. Dat vloeit voort uit de verantwoordelijkheid van ouders om hun kinderen te verzorgen en op te voeden (zie ook artikel 1.2).

  • 2.

    Onder het inzetten van eigen kracht wordt in ieder geval verstaan:

    • a.

      gebruikelijke hulp van ouders. Dat is de hulp waarvan algemeen aanvaard is dat die in redelijkheid van hen mag worden verwacht;

    • b.

      hulp van ouders die daar bovenuit gaat (bovengebruikelijke hulp);

    • c.

      passende ondersteuning die vanuit het sociale netwerk beschikbaar is;

    • d.

      het benutten van andere voorzieningen, zoals een aanvullende zorgverzekering.

  • 3.

    Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp geven ouders zelf, omdat het onder hun zorgplicht valt. Alleen bij (dreigende) overbelasting of aantoonbare belemmeringen kan het college een voorziening inzetten, als er geen andere oplossingen mogelijk zijn. Het college betrekt daarbij de capaciteiten en de beschikbaarheid van de ouders. De voorziening wordt in beginsel voor korte tijd ingezet, en duurt niet langer dan nodig is om de balans tussen draagkracht en draaglast te herstellen.

  • 4.

    Om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke hulp beoordeelt het college of de benodigde hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of problemen nodig heeft. Het college houdt in ieder geval rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige;

    • b.

      de handelingen en activiteiten die het betreft en de belasting in tijd en energie die dat voor de ouders oplevert;

    • c.

      de mate waarin hulp nodig is en hoe lang die hulp ingezet moet worden; en

    • d.

      de behoeften, achtergrond en mogelijkheden van de jeugdige.

    Het college maakt daarbij gebruik van de uitgangspunten uit de Beleidsregels indicatiestelling AWBZ 2014 bijlage 3, die zijn uitgewerkt in de CIZ indicatiewijzer versie 7.1.

  • 5.

    Bij langdurige of structurele hulpvragen houdt het college rekening met:

    • a.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de voor de jeugdige benodigde hulp en de duur daarvan;

    • c.

      de mogelijkheden, draagkracht en draaglast van de ouders;

    • d.

      de samenstelling van het gezin, de onderlinge relaties en de woonsituatie; en

    • e.

      het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen.

  • 6.

    Ook bovengebruikelijke hulp valt onder de verantwoordelijkheid van de ouders. Van ouders wordt verwacht, dat zij deze hulp bieden, tenzij de balans tussen draagkracht en draaglast in het gezin daardoor zo verstoord raakt, dat dit niet langer van de ouders kan worden verlangd. Aan de hand van de factoren uit het vijfde lid wordt bepaald of dit het geval is.

  • 7.

    In het kader van de eigen kracht wordt van de ouders verwacht dat zij zich inspannen om de draagkracht van het gezin te vergroten en de belastbaarheid te verminderen. Dit kan bijvoorbeeld door het aanpassen van werktijden, dagstructuur of maatschappelijke activiteiten.

     

Paragraaf 3.3. Een gezin, een plan een aanspreekpunt

Artikel 43 Verstrekking binnen een gezin

  • 1.

    Als er binnen een gezin sprake is van een behoefte aan zowel maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, verleent het college deze waar mogelijk op basis van een integraal plan van aanpak.

     

Paragraaf 4 Ondersteuning in de vorm van een pgb

Artikel 44 Mogelijkheid tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget

  • 1.

    Als een inwoner in aanmerking komt voor een individuele voorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een door het college te verstrekken pgb, dient de inwoner daartoe een gemotiveerde aanvraag in. De inwoner maakt hierbij gebruik van een door het college ter beschikking gesteld format, samen met een pgb ondersteuningsplan, waarbij de inwoner aangeeft:

    • a.

      wat hij met het pgb wenst in te kopen;

    • b.

      waarom hij, in het kader van de Jeugdwet, de ondersteuning in natura niet passend acht;

    • c.

      waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen;

    • d.

      indien van toepassing: wie hij heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren;

    • e.

      hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren;

    • f.

      op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd;

    • g.

      een onderbouwde begroting.

  • 2.

    Een pgb is alleen mogelijk als:

    naar het oordeel van het college is voldaan aan voorwaarden gesteld in artikel 8.1.1 eerste, tweede en derde lid Jeugdwet en de weigeringsgronden van artikel 8.1.1 vierde lid Jeugdwet niet van toepassing zijn.

  • 3.

    Als de inwoner een pgb vertegenwoordiger heeft gemachtigd om zijn belangen ten aanzien van het pgb te behartigen en de aan het pgb verbonden taken uit te voeren, dan mag om belangenverstrengeling te voorkomen, deze vertegenwoordiger niet de uitvoerder, als professioneel zorgaanbieder zijn van de diensten die met het pgb worden ingekocht. Voor informele zorgverleners, met uitzondering van een Particuliere dienstverlener vallend onder de Regeling Dienstverlening aan Huis, geldt dat deze wel vertegenwoordiger én uitvoerder van de zorg mogen zijn.

  • 4.

    Een pgb is niet mogelijk:

    • a.

      als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.7;

    • b.

      voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college, al dan niet op basis van het in het eerste lid bedoelde zorg- en budgetplan;

    • c.

      voor zover deze is bedoeld voor begeleidings- of administratiekosten in verband met het pgb.

Artikel 45 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp

  • 1.

    Bij het vaststellen van het tarief voor jeugdhulp maakt het college onderscheid tussen bedrijfs- of beroepsmatig verleende hulp (professionele hulp) en hulp door iemand anders (informele hulp).

  • 2.

    Onder professionele hulp wordt verstaan de jeugdhulp die wordt verleend door iemand die:

    • a)

      werkervaring, kwalificaties of een opleiding heeft die nodig is voor de jeugdhulp die ingezet moet worden. Dat kan blijken uit een inschrijving in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG-registratie) of bedoeld in artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet (SKJ-registratie), of uit een andere erkende registratie voor beroepsgroepen of uit specifieke diploma’s; en die

    • b)

      werkt bij een onderneming die volgens de inschrijving in het Handelsregister jeugdhulp aanbiedt, of als zelfstandige zonder personeel (zzp’er) volgens de inschrijving in het Handelsregister zelf de jeugdhulp aanbiedt, en die

    • c)

      loon of een vergoeding ontvangt, passend bij de jeugdhulp die wordt gegeven; en die

    • d)

      voldoet aan de kwaliteitseisen uit hoofdstuk 4 van de Jeugdwet.

  • 3.

    Jeugdhulp door een jeugdhulpverlener die niet voldoet aan de voorwaarden uit het tweede lid, wordt als informele hulp aangemerkt.

  • 4.

    Jeugdhulp door een eerste, tweede of derdegraads bloed- of aanverwant van de jeugdige of de ouders, wordt ook als informele hulp aangemerkt.

Artikel 46 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp

  • 1.

    De hoogte van het pgb wordt vastgesteld op basis van het budgetplan, en wordt berekend op basis van een tarief of prijs waarmee de jeugdige of zijn ouders passende jeugdhulp kan inkopen.

  • 2.

    Het tarief voor professionele hulp is 85% van het laagste tarief waarvoor het college dezelfde passende jeugdhulp heeft gecontracteerd (kostprijs zorg in natura).

  • 3.

    Zodra de tarieven van de gecontracteerde jeugdhulp wijzigen, worden de tarieven voor professionele hulp aangepast, met hetzelfde indexeringspercentage als voor gecontracteerde jeugdhulp, en met ingang van dezelfde datum.

  • 4.

    Als het tarief niet toereikend is om daarmee passende jeugdhulp in te kopen, en als het college geen aanbieder heeft gecontracteerd voor de toegekende jeugdhulp, dan wordt het tarief op een bedrag gesteld, waarmee bij ten minste één jeugdhulpverlener of organisatie de jeugdhulp ingekocht kan worden.

  • 5.

    Het tarief voor informele hulp is een tarief van 125% van het wettelijk minimum loon.

  • 6.

    Als uit het budgetplan blijkt dat de jeugdige of de ouders passende jeugdhulp voor een lager tarief kunnen inkopen, dan rekent het college met dat tarief.

Artikel 47 Besteding en verantwoording van het pgb

Het college kan in nadere regels criteria stellen aan:

  • a.

    de periode waarbinnen een pgb moet zijn besteed;

  • b.

    de verantwoording van het pgb.

Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

Paragraaf 1. Bestrijding misbruik, kwaliteit en veiligheid, klachten en medezeggenschap

Artikel 48 Kwaliteitseisen aanbieders zorg in natura

  • 1.

    Een aanbieder zorgt voor een goede kwaliteit van zijn voorzieningen door:

    • a.

      de voorzieningen af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt,

    • b.

      de voorzieningen af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning,

    • c.

      de inzet van de juiste deskundigheid,

    • d.

      ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de van toepassing zijnde erkende keurmerken voor de betreffende sector, en

    • e.

      er bij het leveren van voorzieningen op toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen vaststellen, waaronder vereisten met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

  • 3.

    Het college ziet toe op de naleving van de kwaliteitseisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

Artikel 49 Kwaliteitseisen zorg- en dienstverleners persoonsgebonden budget

  • 1.

    De zorg- of dienstverlener zorgt voor een goede kwaliteit van zijn diensten door in ieder geval:

    • a.

      de diensten af te stemmen op de persoonlijke situatie van de cliënt,

    • b.

      de diensten af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning, en

    • c.

      de inzet van de juiste deskundigheid.

  • 2.

    De professionele zorg- of dienstverlener zorgt voor een goede kwaliteit van zijn diensten door in ieder geval:

    • a.

      te voldoen aan de kwaliteitseisen uit het eerste lid,

    • b.

      de inschrijving van zijn bedrijf in het handelsregister met vermelding van de activiteiten van het bedrijf die overeenkomt met de zorg- of dienstverlening,

    • c.

      te beschikken over ervaringen, kwalificaties of opleiding die passend is voor de zorg- of dienstverlening, de complexiteit en de aard van de problematiek van de cliënt,

    • d.

      ervoor zorg te dragen dat zijn werknemers en zijn opdrachtnemers beschikken over ervaringen, kwalificaties of opleiding die passend is voor de zorg- of dienstverlening, de complexiteit en de aard van de problematiek van de cliënt,

    • e.

      te beschikken over een meldcode, conform het Besluit verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden,

    • f.

      de kennis en het gebruik van de, in onderdeel e bedoelde, meldcode te bevorderen onder zijn werknemers en opdrachtnemers, en

    • g.

      te werken met een systematische kwaliteitsbewaking.

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling aanvullende kwaliteitseisen vaststellen, waaronder vereisten met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

Artikel 50 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo 2015 en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • 1°.

        een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

      • 2°.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de Wmo 2015, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op onder andere de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen;

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 51 Melding calamiteiten en geweld

  • 1.

    Door het college aangewezen medewerkers waar inwoners zich kunnen melden alsmede de aanbieders van maatwerkvoorzieningen in de vorm van dienstverlening en aanbieders binnen de jeugdhulp dienen te handelen conform de Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling.

  • 2.

    Aanbieders melden calamiteiten en geweld bij het aanbieden van een maatwerkvoorziening actief aan de daarvoor door het college aangewezen toezichthouder.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld

  • 4.

    Het college kan ter uitvoering van dit artikel nadere regels vaststellen.

Artikel 52 Klachten tegen medewerkers gemeente

De Klachtenregeling gemeente Hilvarenbeek is van toepassing voor de afhandeling van klachten (qua bejegening) van de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen (niet zorg-inhoudelijk) als bedoeld in deze verordening.

Artikel 53 klachten aanbieders

  • 1.

    Iedere aanbieders stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle dienstverlening.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en indien gewenst een jaarlijks cliënt ervaringsonderzoek en indien gewenst in overleg met de cliëntenraden.

Artikel 54 Medezeggenschap

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatschappelijke ondersteuning

  • 2.

    Een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 4.2.4, van de Jeugdwet is verplicht een regeling te treffen voor medezeggenschap conform paragraaf 4.2.b van de Jeugdwet.

  • 3.

    De aanbieder draagt er zorg voor dat de informatie over de medezeggenschap en klachtbehandeling voldoende kenbaar zijn voor de cliënten van zijn organisatie.

  • 4.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en indien gewenst in overleg met de cliëntenraden.

Artikel 55 Betrokkenheid inwoners bij de uitvoering van de wet

  • 1.

    Het college stelt inwoners, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het eerste lid.

     

Paragraaf 2. Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen en herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 56 Tegengaan oneigenlijk gebruik

Het college treft de nodige maatregelen om het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen en maatwerkvoorzieningen te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:

  • a.

    samenwerking zoeken met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;

  • b.

    het aanwijzen van toezichthouders;

  • c.

    aanbieders worden verplicht gesteld kosteloos hun medewerking te verlenen aan onderzoeken door of namens het college;

  • d.

    het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • e.

    beperking van de looptijd van de toekenning van een maatwerkvoorziening, zodat periodiek kan worden bezien of de toekenning aan de cliënt, alsmede zijn pgb-budget, nog past bij zijn individuele situatie;

  • f.

    een grondige toets bij de toegang tot individuele en maatschappelijke ondersteuning:

    • a.

      op de pgb-vaardigheid van de cliënt of degene die de cliënt daarvoor wenst in te schakelen;

    • b.

      op de kwaliteit van de invulling van het door de cliënt te overleggen zorg- en budgetplan, mede met het oog op de te bereiken resultaten;

  • g.

    monitoring van het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten;

  • h.

    het opstellen van een pgb-vergoedingenlijst waarin opgenomen is welke kosten wel en niet uit het pgb betaald mogen worden;

Artikel 57 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Een ontvanger van een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening of de ouder van een betrokken jeugdige doet onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening of individuele voorziening.

  • 2.

    Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening herzien of intrekken indien het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de zorgaanbieder door toerekenbaar handelen ervoor gezorgd heeft dat er te veel pgb is verstrekt;

    • c.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening, individuele voorziening is aangewezen;

    • d.

      de maatwerkvoorziening, individuele voorziening iet meer toereikend is te achten;

    • e.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening, individuele voorziening of verbonden voorwaarden; of

    • f.

      de cliënt de maatwerkvoorziening, individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is bestemd.

  • 3.

    Een beslissing tot toekenning van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen 6 maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4.

    Indien het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens, en in geval van een maatwerkvoorziening opzettelijk, heeft plaatsgevonden, kan het college van degene die deze onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft:

    • a.

      geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte verstrekte individuele voorziening of maatwerkvoorziening; of

    • b.

      de cliënt verplichten de maatwerkvoorziening in te leveren;

    • c.

      het ten onrechte ontvangen pgb terugvorderen.

  • 5.

    Indien het college een beslissing op basis van het tweede lid, onder b, heeft ingetrokken of heeft herzien dan kan de gemeente het bedrag dat als gevolg van toerekenbare handelen ten onrechte is ontvangen bij de zorgaanbieder terug vorderen;

  • 6.

    Het genoemde in lid 1 tot en met 4 is overeenkomstig van toepassing op voorzieningen verstrekt op basis van artikel 3.1.2 lid 3 en artikel 3.1.4 lid 2 van deze verordening.

Artikel 58 Opschorting betaling uit het pgb

  • 1.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de wet.

  • 2.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 15, derde lid, onder d.

  • 3.

    Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 4. Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 59 Indexering

  • 1.

    Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en door het college vastgestelde bedragen verhogen of verlagen. Het college kan per voorziening bepalen welke prijsindex hierbij wordt gehanteerd.

  • 2.

    Bij de indexering van het Pgb worden de tarieven van zorg in natura gevolgd.

Artikel 60 Nadere regels en beleidsregels

Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening.

Artikel 61 Onvoorzien en hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de inwoner afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 62 Intrekking oude verordening

De ‘Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Hilvarenbeek 2023’ en alle voorgaande wijzigingsbesluiten worden gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken.

Artikel 63 Overgangsbepalingen

  • 1.

    Aanvragen voor ondersteuning die bij het college zijn ingediend voor 1 januari 2026 en waarop nog niet is beslist bij het inwerkingtreden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 2.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2023 wordt beslist met inachtneming van de verordening waarop het besluit is gebaseerd.

  • 3.

    Van lid 2 kan ten gunste van de inwoner worden afgeweken.

  • 4.

    Het college heeft de bevoegdheid een besluit op grond van de Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning 2023 te herzien met toepassing van deze verordening:

    • a.

      Indien er wijzigingen plaats vinden in de omstandigheden waarop het besluit is gebaseerd;

    • b.

      Indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van deze verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;

Artikel 64 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

Artikel 65 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2026.

Toelichting Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Hilvarenbeek 2026

Algemeen

Op 1 januari 2015 zijn de Jeugdwet en de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 in werking getreden. Op basis van deze wetten zijn veel taken welke voorheen bij de provincie of het rijk waren belegd naar de gemeente overgeheveld. Dit heeft destijds geresulteerd in twee gemeentelijke verordeningen:

  • Verordening Jeugdhulp gemeente Hilvarenbeek 2015;

  • Verordening Wet maatschappelijke ondersteuning gemeente Hilvarenbeek 2015

Met ingang van 1 april 2019 zijn beide verordeningen samengevoegd en aangepast aan de nieuwe contracten welke op beide met ingang van die datum zijn gaan lopen.

 

Op 25 september 2021 heeft de gemeenteraad van Hilvarenbeek ingestemd met de uitgangspunten inkoop sociaal Domein. Op basis hiervan is de verordening destijds aangepast in de ‘Verordening jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning Hilvarenbeek 2023’

 

In de tussenliggende periode zijn er enkele uitspraken geweest van de Centrale Raad van Beroep die maken dat de verordening op onderdelen moet worden gewijzigd. Daarnaast is gebleken dat het samenvoegen van de verordeningen in de uitvoering heeft geleid tot onduidelijkheden. Om die reden is ervoor gekozen de verordening anders in te delen. Dit alles heeft geleid tot de ‘Verordening Maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp Gemeente Hilvarenbeek 2026’

 

De belangrijkste wijzigingen zijn:

  • 1.

    Tarief informeel persoonsgebonden budget Wmo

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft zich op 16 augustus 2023 tweemaal uitgesproken over de informele pgb-tarieven in het sociale netwerk binnen de Wmo. Hierbij is aangegeven dat voor de huishoudelijke ondersteuning en begeleiding aansluiting moet worden gezocht bij de betreffende CAO. Om die reden is artikel 18 aangepast.

 

  • 2.

    Eigen Kracht Jeugdwet

De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 on een drietal uitspraken vastgesteld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe invulling wordt gegeven aan de voorwaarde ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ (eigen kracht) van ouders. Die invulling is nu opgenomen in artikel 43 van deze verordening. De afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht. Daarnaast is in samenhang hiermee artikel 27 opgenomen in deze verordening.

 

  • 3.

    Verandering in indeling

Deze wijziging van de verordening heeft ook betrekking op de indeling en leesbaarheid. Er is gekozen om de specifieke artikelen voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp onder te brengen in eigen hoofdstukken. In de praktijk is gebleken dat zowel uitvoerende medewerkers als inwoners moeite konden hebben met het snel vinden en begrijpen van de relevante artikelen.

 

Artikelsgewijze toelichting

 

Hoofdstuk 1 Maatschappelijke ondersteuning

 

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1 begripsbepalingen

Definities die zijn opgenomen in de Wmo 2015 en het daarop gebaseerde uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen in de definities. Alleen waar het opnemen in de definities iets toevoegt zijn ze opgenomen.

 

Dorpsnetwerk

We gaan ervanuit dat de inwoner zoveel als mogelijk binnen het eigen dorpsnetwerk een oplossing vindt om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen of te behouden. Daar waar een inwoner daar zelfstandig niet toe in staat is kan hij bij een professional binnen het dorpsnetwerk een vraag stellen of een melding doen voor maatschappelijke ondersteuning.

 

Melding

De melding is in de wet niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is hier een definitie van het begrip opgenomen. Vanaf de melding start de onderzoeksperiode, afgesloten door een verslag.

 

Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P.)

Binnen de regio Hart van Brabant is een budget beschikbaar om out of de box ondersteuning in te kunnen zetten. Dit maakt ondersteuning naast de individuele en maatwerkvoorzieningen mogelijk.

 

QuickScan

De QuickScan is een instrument met als doel het vormen van een toestandsbeeld van een cliënt/burger door een medewerker of een professional uit het dorpsnetwerk, op basis van een snelle scan, waarbij de problematiek op (meerdere) leefgebieden en de zelfredzaamheid in kaart wordt gebracht. Daarnaast heeft de QuickScan als doel te bepalen of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn.

 

Vraaganalyse

In de wet wordt gesproken over een verslag. Binnen de gemeente Hilvarenbeek wordt dit verslag in een (ntegrale) vraaganalyse weergegeven. Het doel van de (integrale) vraaganalyse is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Dit is vervolgens de inbreng voor het (integrale) plan van aanpak.

Een Quickscan kan in de plaats van een verslag komen indien de hulpvraag geen verdere verduidelijking behoeft.

 

Artikel 2 Reikwijdte verordening

Om in aanmerking te kunnen komen voor maatschappelijke ondersteuning op grond van deze verordening moet iemand inwoner zijn van de gemeente Hilvarenbeek. Iemand is inwoner als hij staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie als inwoner van de gemeente.

 

Artikel 3 Vertegenwoordiger

In de Wmo 2015 is de vertegenwoordiger gedefinieerd als “persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake”.

 

Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget.

 

Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag.

 

Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger feitelijk gelijk gesteld kan worden) worden geweigerd als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan.

 

Paragraaf 2. Melding en onderzoek

 

Artikel 4 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen

Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden.

De voorwaarden die het college aan het gebruik van algemene voorzieningen verbindt gaan om algemene criteria en voorwaarden die niet afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie van de cliënt.

Ook personen die op grond van de Wet langdurige zorg in een instelling verblijven kunnen gebruik maken van een algemene voorziening. Er worden in de verordening geen voorbeelden genoemd omdat deze voorzieningen divers kunnen zijn en aan verandering onderhevig.

 

Artikel 5 Cliëntondersteuning

Binnen de door de gemeente vastgestelde ondersteuningsstructuur wordt cliëntondersteuning geboden. Professionals bieden onafhankelijk informatie en advies en ondersteuning.

In het geval een inwoner behoefte heeft aan onafhankelijk ondersteuning door een professional die geen deel uitmaakt van de lokale ondersteuningsstructuur is cliëntondersteuning beschikbaar door een door de gemeente aangewezen instantie. De inwoner kan ook andere instanties of personen hiervoor benaderen.

Het staat de cliënt vrij om zich bij te laten staan door iemand van zijn/haar keuze (vrijwillig of professioneel) uit zijn/haar sociale netwerk dan wel dorpsnetwerk.

Het verstrekken van informatie over onafhankelijke cliëntondersteuning vindt plaats na melding dan wel tijdens het eerste gesprek dat met inwoners in het kader van het onderzoek wordt gevoerd. Daarnaast communiceren we dit via de gemeentelijke communicatiekanalen.

 

Artikel 6 Melding hulpvraag in de gemeente

Voor deze verordening is het begrip “melding” van toepassing voor zowel op maatschappelijke ondersteuning als op jeugdhulp.

Met de melding maakt een persoon, of iemand namens deze persoon, zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kenbaar bij het college. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van maatschappelijke ondersteuning, is dus niet een melding in de zin van deze verordening.

Een melding kan gedaan worden in persoon bij een door het college vastgestelde professional uit het dorpsnetwerk van de inwoner. Als de inwoner zich daarbij niet prettig voelt, staan er ook andere mogelijkheden open om zich te melden, waaronder digitaal, schriftelijk of telefonisch.

 

Artikel 7 Onderzoek en weergave naar aanleiding van de melding

Een melding zal gevolgd worden door een gesprek met een door het college aangewezen medewerker. Wie dat is, is afhankelijk van de gestelde hulpvraag en of iemand al bekend is. Dit kan ook via het SamenZorgTeam(SZT) als er sprake is van complexe, op meerdere leefgebieden, specialistische problematiek en onvoldoende zelfredzaamheid van de cliënt of door een gecontracteerde aanbieder als er noodzaak bestaat voor wmo begeleiding.

Als de situatie van de cliënt bij de medewerker voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de cliënt worden beperkt tot de onderdelen die volgens de medewerker en de cliënt of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger van belang zijn in relatie tot de melding. Dit mag echter niet ten koste gaan van de integraliteit.

Het onderzoek bestaat uit een QuickScan en/of een (integrale) vraaganalyse.

Heeft de melding betrekking op beschermd wonen, dan geldt hiervoor dat deze landelijk toegankelijk is. Dit betekent dat een inwoner overal terecht moet kunnen voor opvang en beschermd wonen (woonplaatsbeginsel).

 

Vervolgens is zorgvuldig dossiervorming en zorgvuldige procedure van belang. Het doel van het opstellen van een onderzoek ( met de middelen QuickScan en (Integrale) vraaganalyse) is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.

In Hilvarenbeek wordt gewerkt met de QuickScan en of de eventueel daaropvolgende (integrale) vraaganalyse, deze zijn een weergave van het onderzoek. Indien er behoefte bestaat aan een ondersteuning zal er een (integraal) plan van aanpak worden opgesteld, waarin, zoveel als mogelijk, samen met de cliënt de afspraken worden vastgelegd over de inzet van eigen kracht, het sociale netwerk en/of professionals, die nodig zijn om de gewenste resultaten te bereiken.

Op basis van de inkoop in 2023 kan het plan van aanpak ook opgesteld worden door een door het college aangewezen derde. Een gedeelte van de inkoop die met ingang van 1 januari 2023 geldt is taakgericht. Hierbij wordt als bij een eerste gesprek met de toegang blijkt dat er een maatwerkvoorziening nodig is de zaak doorgezet naar een combinatie van zorgaanbieders die het onderzoek dan op zich neemt en zal uitwerken in een plan van aanpak. Mocht de client kiezen voor de inzet van ondersteuning in de vorm van een Pgb dan zal de combinatie met een advies komen.

 

Artikel 8 Spoedeisende ondersteuning

Indien er een melding plaatsvindt voor spoedeisende hulp, is het college op grond van artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 gehouden een tijdelijke voorziening te treffen, totdat het onderzoek is afgerond en er een aanvraag is ingediend op basis waarvan een reguliere maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Het college kan derhalve in het dringende belang van de cliënt besluiten om een maatwerkvoorziening ambtshalve te verstrekken indien en zolang het niet mogelijk is dat hiervoor door of namens de cliënt een aanvraag wordt ingediend. Het college kan voorts in het dringende belang van de cliënt een al dan niet ambtshalve ingediende aanvraag in behandeling nemen zonder ondertekende (integrale) vraaganalyse , indienen zolang de cliënt niet in staat of bereid is de (integrale) vraaganalyse te ondertekenen. Een besluit tot spoedeisende ondersteuning wordt door het college in de beschikking duidelijk gemotiveerd, zodat het voor de cliënt inzichtelijk is waarom tot ambtshalve verstrekking is overgegaan.

 

Artikel 9 Advisering

Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs een voorwaarde. Onder adviserende instantie kan ook begrepen worden het experteam vanuit een de combinatie van zorgaanbieders zoals deze met ingang van 1 januari 2023 is ingekocht.

Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.

In artikel 2.3.8, derde lid Wmo 2015 is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Het adviesverzoek zal veelal plaatsvinden in de onderzoeksfase. Dit is na melding en voorafgaande aan de aanvraag. Het zal dan deel uitmaken van het onderzoek waartoe de gemeente verplicht is. Het advies zal, indien het tot een aanvraag komt, meegenomen worden in de afhandeling van die aanvraag. Indien nodig kan een advies ook plaatsvinden in de aanvraagfase.

 

Paragraaf 3. Aanvraag en besluit

 

Artikel 10 Aanvraag of maatwerkvoorziening

Als de cliënt besluit een aanvraag in te dienen voor een maatwerkvoorziening, moet dit schriftelijk gebeuren.

In nadere regels kan het college vastleggen op welke wijze een aanvraag gedaan moet worden. Dit kan een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier zijn, maar het college kan hiertoe andere mogelijkheden openstellen.

 

Artikel 11 Inzet maatwerkvoorzieningen

Een maatwerkvoorziening is in de Wmo 2015 gedefinieerd als een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen. Het gaat hierbij om ondersteuning op maat, waarvoor een beschikking wordt afgegeven.

 

Het college kan voorwaarden of verplichtingen verbinden aan maatwerkvoorzieningen. Dat kunnen algemene voorwaarden en verplichtingen zijn.

Bijvoorbeeld dat een scootmobiel overdekt moet worden gestald, dat iemand in de opvang mee moet werken aan het opstellen en nakomen van een ondersteuningsplan of dat iemand zich in een instelling voor beschermd wonen houdt aan de leefregels die daar gelden.

Lid 6 biedt de mogelijkheid om maatwerk in de vorm van Persoonlijk Passend Pakket(P.P.P.) in te zetten. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om ‘out of the box’ oplossingen te zoeken. In enkele gevallen namelijk is de ondersteuning welke geboden wordt op basis van een individuele voorziening, overige voorziening of andere voorziening onvoldoende om de beperkingen, welke de cliënt in de zelfredzaamheid ondervindt, op te heffen dan wel te verminderen. Om hier toch de juiste ondersteuning in te kunnen zetten is er de mogelijkheid gecreëerd om hier een andere vorm van maatwerk in te zetten. Zelfzorg en gezondheid bij personen met een somatische, lichamelijke of psychogeriatrische grondslag valt onder de zorgverzekeringswet en valt daarom voor deze doelgroep niet onder de Wmo 2015.

 

Artikel 12 Beschikking

Een beschikking genoemd in lid 1 kan bij Wmo begeleiding en bij hoog specialistische jeugdhulp ook een plan van aanpak zijn.

Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een individuele voorziening of een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget.

 

Derde lid, onder a, en vierde lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’.

 

De in het derde lid onder c genoemde motivatie moet in het besluit worden opgenomen. De motivering moet namelijk een besluit dragen. Het college stelt regels waarop dit plaats zal vinden.

 

Het vijfde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 12 en artikel 2.14, zesde lid, van de Wmo, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een persoonsgebonden budget, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK.

 

In het zesde lid is opgenomen dat het college het nemen van een besluit kan mandateren aan een derde. In het kader van de nieuwe inkoop wordt het plan van aanpak bij wmo begeleiding en bij hoogspecialistische jeugdhulp in de vorm van zorg in natura ook gezien als beschikking. Dit plan van aanpak wordt opgesteld door de ingekochte zorgaanbieder. Dit is alleen mogelijk als het college de zorgaanbieder mandateert.

 

Paragraaf 3.1 Criteria voor verstrekking van een individuele en een maatwerkvoorziening

 

Artikel 13 Algemene criteria voor een maatwerkvoorziening

In het eerste lid wordt verwezen naar de algemene criteria die zijn opgenomen in de artikelen 1.2.1 en 1.3.5 van de wet Wmo 2015.

In dit artikel wordt verwoord dat er sprake moet zijn van:

  • Beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen;

  • Problemen in de zelfredzaamheid, participatie of het zelfstandig functioneren;

  • Een onvermogen om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk voldoende oplossingen te vinden voor deze problemen;

Daarnaast dragen algemene voorzieningen onvoldoende bij aan een oplossing.

Eerst wordt derhalve gekeken naar de eigen kracht en andere mogelijkheden om de cliënt te helpen met zijn problemen met betrekking tot zijn zelfredzaamheid, participatie of zelfstandig functioneren. Dat kan bijvoorbeeld simpelweg een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van zijn eigen netwerk, kortdurende, lichte ondersteuning door een professional uit het dorpsnetwerk of een verwijzing naar een algemene voorziening, zoals een huiskamer binnen het dorp voor dagbesteding

De maatwerkvoorziening vormt het (aanvullende) sluitstuk, als voorliggende opties niet voldoende zijn. Voor opvang voor een persoon die de thuissituatie heeft verlaten in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, geldt niet dat er sprake moet zijn van beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen.

 

Als het college vaststelt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, zal het college kiezen voor de goedkoopst doelmatige voorziening. Voorop staat dat de voorziening adequaat (doelmatig) is om bij te dragen aan de ondersteuningsbehoefte. Als er echter meerdere

varianten mogelijk zijn, kiest het college voor de goedkoopste variant.

Een cliënt heeft het recht een eigen keuze te maken uit de gecontracteerde partijen voor het resultaatgebied waarop ondersteuning wordt geboden. Wil of kan de cliënt geen keuze maken dan zal de gemeente deze keuze maken.

Maatwerkvoorzieningen kunnen in bruikleen of in eigendom worden verstrekt. Als een

maatwerkvoorziening in bruikleen wordt verstrekt, kan het college met de cliënt een bruikleenovereenkomst afsluiten.

Uiteraard bestaat voor een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening deze keuzemogelijkheid niet.

 

Artikel 14 Algemene aanvullende criteria maatwerkvoorziening

In dit artikel zijn algemene aanvullende criteria geformuleerd voor een maatwerkvoorziening, gericht op zelfredzaamheid of participatie. Als een cliënt niet voldoet aan deze criteria, komt hij in principe niet in aanmerking voor de betreffende maatwerkvoorziening.

 

De Wmo 2015 legt de nadruk op de eigen kracht en eigen verantwoordelijkheid van de burger voor zijn eigen leven, zijn zelfredzaamheid en participatie.

Die eigen verantwoordelijkheid heeft meerdere kanten:

  • Het college kijkt naar de mogelijkheden van de cliënt, de mogelijkheden van gebruikelijke hulp, van het netwerk rond de cliënt of om een vrijwilliger in te zetten, de beschikbaarheid van voorliggende voorzieningen, de mogelijkheid om gebruik te maken van voorzieningen in zijn buurt, zoals een maaltijdservice, een boodschappendienst of klussendienst of van algemene voorzieningen die het college ter beschikking stelt.

  • Een burger zal zich rekenschap moeten geven van en anticiperen op wat vaak inherent is aan de beperkingen die hij heeft en aan nieuwe levensfases. Bij iedere levensfase horen bijvoorbeeld andere wensen ten aanzien van de toegankelijkheid van de woning. Dat betekent dat een cliënt tijdig maatregelen moet nemen om ervoor te zorgen dat hij kan verhuizen naar een meer geschikte woning, die past bij zijn levensfase en omstandigheden.

  • Verantwoordelijkheid nemen voor je eigen leven betekent eveneens dat de burger ervoor zal moeten zorgen dat hij voldoende is verzekerd en eventueel gebruik kan maken van de faciliteiten van een thuiszorgorganisatie voor de situatie dat hij tijdelijk ondersteuning nodig heeft, zoals tijdelijk gebruik van hulpmiddelen of waar gebruik maakt van hij hand- en spandiensten.

  • Ook zal hij bereid moeten zijn zelf te investeren in bepaalde hulpmiddelen die hij kan kopen in een gewone winkel of bijvoorbeeld een thuiszorgwinkel, zoals een sta-op stoel, een wandelstok of een rollator. Dit zijn hulpmiddelen die de Rijksoverheid in het verleden bewust uit het hulpmiddelenpakket van de Zorgverzekeringswet heeft gehaald, omdat zij betaalbaar zijn, veel gebruikt worden of passen binnen een bepaalde levensfase, net als een kinderwagen bij jonge mensen. Feitelijk hebben deze hulpmiddelen hiermee een algemeen gebruikelijk karakter gekregen.

  • Het kan ook betekenen dat rollen in huis anders verdeeld moeten worden of dat een kind dat toch op bezoek komt, meteen wat boodschappen meeneemt.

  • Waar een burger niet meer in staat is om zelf te voorzien in zijn zelfredzaamheid en participatie, kan hij een beroep doen op ondersteuning door het college.

Als dit alles onvoldoende is om de cliënt voldoende te ondersteunen in zijn zelfredzaamheid en participatie, kan de cliënt een aanvraag indienen voor een (aanvullende) maatwerkvoorziening.

 

Een voorziening moet veilig zijn en geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengen voor de cliënt of een ander. Zo zal bijvoorbeeld iemand die geen verkeersinzicht heeft, niet in aanmerking komen voor een aangepaste fiets of een ‘snelle’ scootmobiel.

 

Als er al eerder een maatwerkvoorziening is verstrekt en deze voorziening biedt nog voldoende ondersteuning en is nog niet technisch afgeschreven, dan komt de cliënt niet opnieuw in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. De noodzaak is dan niet aanwezig.

 

In lid 2 van dit artikel worden een aantal weigeringsgronden op basis waarvan geen voorziening wordt verstrekt. Hier onder valt oa. de anti revaliderende werking. Bijvoorbeeld een scootmobiel toekennen waardoor client te weinig loopt. Hiervoor is wel een objectief onderzoek nodig.

Het is voor het college belangrijk dat het objectief kan vaststellen of de voorziening

noodzakelijk is. Als een cliënt zich op een zodanig moment meldt dat een objectieve beoordeling niet meer mogelijk is, dan komt dat voor rekening en risico van de cliënt. Dit is een reden om de voorziening te weigeren. Bovendien blijkt hier dan ook uit dat de cliënt in staat is gebleken zelf met oplossingen te komen voor zijn probleem, zodat ondersteuning door het college niet aan de orde is.

 

Artikel 15 Aanvullende criteria voor beschermd wonen.

Beschermd wonen wordt vooralsnog uitgevoerd door de gemeente Tilburg als centrum gemeente. De regels van de gemeente Tilburg zijn hier dan ook op van toepassing.

In deze regels is niets opgenomen omtrent de inzet van beschermd wonen in het buitenland. Bij de uitvoering en de mogelijkheid tot toezicht wordt aangenomen dat dit niet mogelijk is. Echter om onduidelijkheid te voorkomen is het verstandig om dit op te nemen in de verordening.

 

Paragraaf 3.2 Een gezin, een plan een aanspreekpunt

 

Artikel 16 Verstrekking binnen een gezin

Binnen de gemeente Hilvarenbeek is ‘een gezin, een plan, een aanspraakpunt’ een belangrijk uitgangspunt. In dit kader wordt er naar gestreefd dat als er ondersteuningsbehoefte bestaat zowel met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning als met betrekking tot de Jeugdhulp hier te komen tot een integraal plan van aanpak. Dat wordt in dit artikel onderstreept.

 

Paragraaf 4 Persoonsgebonden budget

 

Artikel 17 Mogelijkheden tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget

Op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 moet de cliënt voldoen aan een aantal voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze zijn:

  • hij moet, al dan niet met ondersteuning, in staat zijn om een pgb te beheren. Dat wil zeggen dat hij de administratieve verantwoordelijkheden aankan, maar ook kan bepalen wat hij nodig heeft en door hem ingeschakelde personen kan aansturen;

  • hij kan motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; de jeugdige of zijn ouders moeten zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door de aanbieder niet passend acht;

  • de diensten, hulpmiddelen e.d. die hij met het pgb wenst in te kopen worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht verstrekt en dragen bij aan het behalen van het beoogde resultaat.

Ook bepaalt de wet dat het college een pgb kan weigeren:

  • voor zover de kosten van de met het pgb in te kopen ondersteuning hoger zijn dan de kosten van de individuele dan wel maatwerkvoorziening; of

  • indien het college eerder een beslissing voor het verstrekken van een individuele voorziening dan wel maatwerkvoorziening of pgb heeft herzien in verband met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening of pgb of bij een onjuiste besteding van een pgb.

Om te kunnen vaststellen of de cliënt aan deze voorwaarden voldoet, wordt van de cliënt verwacht dat hij een gemotiveerd verzoek indient als hij voor een pgb in aanmerking wil komen. Aan dit verzoek wordt een aantal eisen verbonden, dat is opgenomen in het eerste lid. In het tweede lid zijn aanvullende eisen voor een pgb opgenomen.

 

Uitgangspunt is dat de cliënt naar het oordeel van het college voldoet aan alle in artikel 2.3.6, tweede lid Wmo 2015 genoemde voorwaarden en dat op de cliënt ook niet de in dat artikel genoemde weigeringsgronden van toepassing zijn.

 

Als een cliënt niet zelf tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, moet zijn gewaarborgd dat een derde die de cliënt daarbij ondersteunt hiertoe wel in staat is en er ook geen ongewenste belangenverstrengeling aan de orde is. Om die reden moet een aantal voorwaarden door het college gesteld worden aan deze begeleiding.

 

In het vierde lid is een aantal aanvullende weigeringsgronden opgenomen:

Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.7 is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning. In zo’n geval is de ondersteuning niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een maatwerkvoorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.

 

Besteding van een pgb in het buitenland is alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het college zal hierbij toetsen of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen resultaatgebieden.

Als Collectief Vraagafhankelijk Vervoer als maatwerkvoorziening voor een cliënt passend wordt geacht, is een pgb in principe niet mogelijk. Het college kan daarop een uitzondering maken als het pgb wordt bestemd voor de aanschaf van een gehandicaptenvoertuig of de aanpassing van de eigen personenauto of brommobiel. Voorwaarde is wel, dat hij voor 5 jaar afziet van het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer op Maat. Dit is opgenomen in artikel 2.3.6, derde lid.

 

Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem begeleidt met het beheer van het pgb. Ook mogen er van het pgb geen administratiekosten worden betaald. Ook de eigen bijdrage mag niet uit het pgb betaald worden.

 

Bij de inzet van Pgb moet de cliënt kiezen om deze òf in natura òf in de vorm van een pgb te ontvangen. Hierop bestaat een uitzondering, nl. indien er ook een pgb ingezet wordt vanuit informele zorg, dit moet naast de zorg in natura mogelijkheid blijven.

 

Artikel 18 Hoogte van het pgb en begroting

De basis voor de vaststelling van de hoogte van het pgb is de door de cliënt ingediende begroting. De pgb bedragen worden hierbij begrensd. Voor het vaststellen van het Pgb tarief worden tarieven gehanteerd welke gerelateerd zijn aan de kostprijs voor de ondersteuning in natura

 

Bij een pgb voor dienstverlening wordt er bij de toekenning van een pgb een differentiatie toegepast afhankelijk of de ondersteuning ingezet wordt door een geregistreerde (zorg) organisatie / instelling een ZZP, door informele zorg niet zijnde familie en sociaal netwerk of familie/sociaal netwerk.

 

Bij de ondersteuning door een (zorg)organisatie/instelling en ZZP wordt voor de vaststelling van de hoogte van het Pgb een percentage van 85% van de ondersteuning in natura. Gelet op eventueel toekomstige aanpassingen is alvast rekening gehouden met differentiatie tussen ZZP en een professionele aanbieder. Dat komt omdat aan gecontracteerde aanbieders een aantal aanvullende eisen wordt gesteld met betrekking tot de administratie (declaratie via vastgestelde systemen), klachtenregeling, leveren van overbruggingszorg en social return on investment. Formele hulpaanbieders die op basis van een pgb ondersteuning leveren, hoeven hier niet aan te voldoen. Het pgb-tarief is daarom voor een formele hulpverlener lager vastgesteld dan het zorg in natura-tarief. Wel moet vaststaan dat met het verstrekte budget de benodigde zorg daadwerkelijk kan worden ingekocht. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij in de regio Hart van Brabant vastgestelde tarieven.

 

Bij ondersteuning vanuit het informele circuit zullen deze kosten nog lager zijn. Bij informele zorg wordt rekening gehouden met uitspraken van de CRvB en is rekening gehouden met de in de rechtspraak vastgestelde norm zoals opgenomen in lid 4 van dit artikel.

 

Indien er meerdere aanbieders zijn die een vergelijkbare maatwerkvoorziening of individuele voorziening leveren, wordt het laagste tarief als uitgangspunt gehanteerd. Ook de marktprijs wordt gebaseerd op de laagste prijs.

 

In lid 5, 6 en 7 wordt invulling en aansluiting gezocht bij hetgeen is bepaald voor het collectief vervoer.

 

Lid 8 biedt de ruimte om maatwerk te leveren met betrekking tot de hoogte van het pgb als met de vastgestelde pgb tarieven geen zorg kan worden ingekocht bij minimaal één aanbieder.

 

Artikel 19 Besteding en verantwoording van het pgb

De Sociale Verzekeringsbank beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit aan de leverancier of dienstverlener, op basis van de facturen die de cliënt bij de Sociale Verzekeringsbank indient.

Het college zal in nadere regels vastleggen welke regels er voor de cliënt gelden ten aanzien van de besteding en verantwoording van het pgb. Daarbij staat voorop dat het pgb zal moeten worden besteed voor het bereiken van de vastgestelde resultaten.

Ook zal het niet mogelijk zijn om een pgb onbeperkt op te sparen.

 

Paragraaf 5 bijdrage in de kosten

 

Artikel 20 Compensatie algemeen gebruikelijke kosten

Als een cliënt gebruik maakt van een algemene of maatwerkvoorziening, dan kan de aanbieder van deze voorziening een bijdrage vragen voor de kosten die onderdeel uitmaken van de voorziening maar feitelijk algemeen gebruikelijk zijn. Het gaat daarbij om kosten van bijvoorbeeld maaltijden, het doen van de was, kosten van vervoer die niet hoger zijn dan de kosten van het openbaar vervoer, een reguliere toegangs- of lidmaatschapsprijs of bijdrage aan materiaalkosten bij een creatieve activiteit.

Het college maakt hierover afspraken met de aanbieder van de voorziening.

 

De aanbieder moet transparant zijn over de kosten die hij in rekening brengt en dit op een duidelijke en begrijpelijke manier kenbaar maken aan de cliënt die gebruik maakt van de voorziening. Dit kan op een website, met een brief of op een andere duidelijke wijze.

 

De gemeente zal bij het uitvoeren van het onderzoek en het opstellen van een plan van aanpak zoveel als mogelijk de kosten, welke verbonden zijn aan de in het plan van aanpak opgenomen voorzieningen, inzichtelijk maken voor de cliënt.

 

Artikel 21 Eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb

De berekening van de eigen bijdrage is in het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 opgenomen. Als gemeente volgen we deze systematiek.

 

De gemeente informeert een cliënt omtrent de te betalen eigen bijdrage.

 

In het tweede lid is opgenomen dat voor een woningaanpassing van een minderjarig kind is een eigen bijdrage verschuldigd indien er door de woningaanpassing een waardevermeerdering heeft plaatsgevonden. De eigen bijdrage wordt dan in rekening gebracht op de waardevermeerdering van de woning. Om te bepalen of hier sprake van is zal er door het college nadere regels gesteld worden. Deze eigen bijdrage wordt in rekening gebracht bij de onderhoudsplichtige ouders, waaronder ook wordt verstaan de stiefouders en anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden. Ook wordt tot de ouders gerekend de verwekker van een kind tegen wie een vaderschapsactie is toegewezen. Daarnaast kan de eigen bijdrage in rekening worden gebracht bij degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige.

In de wet is opgenomen dat geen bijdrage is verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.

In de wet is tevens opgenomen dat als ouders gescheiden wonen en er geen alimentatie is bepaald, alleen die ouder bijdrageplichtig is die onmiddellijk voorafgaand aan de verstrekking van de woningaanpassing of het persoonsgebonden budget recht op kinderbijslag heeft.

 

In het derde lid is opgenomen dat voor een aantal voorzieningen geen eigen bijdrage verschuldigd is.

Hieronder valt ook de Ontwikkelingsgerichte Arbeidsmatige Dagbesteding. De ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding is losgemaakt van Wmo begeleiding en beschermd wonen. Met het uitgangspunt “Participatie is de beste zorg” willen we stimuleren dat zoveel mogelijk mensen meedoen in de samenleving. Omdat vanuit de Participatiewet geen eigen bijdrage gevraagd wordt voor deelname aan participatie-instrumenten willen we dat voor OAD ook niet doen.

In de wet is geregeld dat voor cliëntondersteuning geen eigen bijdrage verschuldigd is. Aangezien een doventolk in het verlengde hiervan ligt, is ook voor de doventolk geen eigen bijdrage verschuldigd.

 

Artikel 22 Berekening eigen bijdrage maatwerkvoorziening en pgb

In het tweede lid is opgenomen hoe lang iemand een eigen bijdrage verschuldigd is. Bij dienstverlening geldt dat de eigen bijdrage verschuldigd is over iedere periode waarin dienstverlening is geboden. Ook als bijvoorbeeld een week geen dienstverlening is geboden, maar de andere weken wel, is een cliënt een eigen bijdrage verschuldigd. In hoeverre de kostprijs van de dienstverlening hierdoor wijzigt, is afhankelijk van het contract dat de gemeente met de dienstverlener heeft afgesloten.

Zodra de indicatie voor de dienstverlening wordt ingetrokken, vervalt ook de verschuldigdheid van de eigen bijdrage.

Voor een voorziening in natura is de eigen bijdrage verschuldigd zolang de cliënt in het bezit is van de voorziening. Als de kostprijs eerder is voldaan, eindigt de verplichting tot het betalen van de eigen bijdrage zodra de kostprijs is voldaan. Ditzelfde geldt voor de eigen bijdrage over een eenmalig pgb.

Bij een periodieke pgb-verstrekking is de cliënt een eigen bijdrage verschuldigd over iedere periode waarin een pgb is verstrekt.

 

Artikel 23 Bijdrage CVV

Voor het gebruik van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer voor sociaal-recreatief is een bijdrage verschuldigd die door het college nader wordt vast gesteld. Deze bijdrage is niet inkomensafhankelijk en gekoppeld aan de Ov tarieven zoals deze door de provincie Noord-Brabant en de Stuurgroep Regiovervoer worden vastgesteld. Er worden bij deze bijdrage rekening gehouden met het tijdstip waarop men reist en de kosten van het verstrekken van een reizigerspas kunnen op de inwoner verhaald worden.

 

Artikel 24 Eigen bijdrage verblijf

Artikel spreekt voor zich.

 

Paragraaf 6 Waardering mantelzorgers

 

Artikel 25 Blijk van waardering voor mantelzorgers

Met de inwerkingtreding van de Wmo 2015 is het mantelzorgcompliment van de rijksoverheid vervallen. In plaats daarvan moet het college zorgdragen voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van haar cliënten.

De wijze waarop is vrij. Het college zal zorgdragen voor passende invulling. Waarbij op voorhand niet wordt gekozen voor één soort compliment, maar voor flexibiliteit en aansluitend op de behoefte van de mantelzorgers. De waardering wordt op maat ingevuld (waarbij geen onderscheid gemaakt wordt op basis van inkomen, intensiteit van de mantelzorg of de afstand tot de cliënt). Het compliment wordt toegekend aan de mantelzorger

 

Hoofdstuk 2 Jeugdhulp

 

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 26 Begripsbepalingen

Definities die zijn opgenomen in de Jeugdwet zijn, op enkele uitzonderingen na, niet opgenomen in de definities. Alleen waar het opnemen in de definities iets toevoegt zijn ze opgenomen.

 

Dorpsnetwerk

We gaan ervanuit dat de inwoner zoveel als mogelijk binnen het eigen dorpsnetwerk een oplossing vindt om zijn zelfredzaamheid en participatie te bevorderen of te behouden. Daar waar een inwoner daar zelfstandig niet toe in staat is kan hij bij een professional binnen het dorpsnetwerk een vraag stellen of een melding doen voor maatschappelijke ondersteuning.

 

Individuele voorziening

De Jeugdwet hanteert verschillende termen voor de voorzieningen op basis waarvan ondersteuning wordt ingezet. Dit leidt tot verwarring.

Als het een ondersteuning betreft in het kader van de Jeugdwet dan spreken we over een ‘individuele voorziening’. Binnen onze gemeente noemen dit ook ‘maatwerkvoorziening jeugd’.

Ook voorzieningen in het voorliggende veld worden binnen de Jeugdwet anders genoemd. Binnen de jeugdwet wordt dit overige voorziening genoemd.

De terminologie die de onderscheidende wetten hanteren wordt in deze verordening aangehouden.

 

Melding

De melding is in de wet niet gedefinieerd, terwijl het wel een belangrijk moment markeert in de toegang. Om die reden is hier een definitie van het begrip opgenomen. Vanaf de melding start de onderzoeksperiode, afgesloten door een verslag.

 

Persoonlijk Passend Pakket (P.P.P.)

Binnen de regio Hart van Brabant is een budget beschikbaar om out of de box ondersteuning in te kunnen zetten. Dit maakt ondersteuning naast de individuele en maatwerkvoorzieningen mogelijk.

 

QuickScan

De QuickScan is een instrument met als doel het vormen van een toestandsbeeld van een cliënt/burger door een medewerker of een professional uit het dorpsnetwerk, op basis van een snelle scan, waarbij de problematiek op (meerdere) leefgebieden en de zelfredzaamheid in kaart wordt gebracht. Daarnaast heeft de QuickScan als doel te bepalen of en zo ja welke vervolgstappen nodig zijn.

 

Vraaganalyse

In de wet wordt gesproken over een verslag. Binnen de gemeente Hilvarenbeek wordt dit verslag in een (integrale) vraaganalyse weergegeven. Het doel van de (integrale) vraaganalyse is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte, zelfredzaamheid en de gewenste resultaten. Dit is vervolgens de inbreng voor het (integrale) plan van aanpak.

Een Quickscan kan in de plaats van een verslag komen indien de hulpvraag geen verdere verduidelijking behoeft.

 

Artikel 27 Uitgangspunt

In dit artikel is het uitgangspunt van de gemeentelijke jeugdhulp verwoord. Daarbij wordt nauw aangesloten bij het startpunt van de wetgever, zoals hierboven in het algemene deel is weergegeven. Centraal staat de zorg- en opvoedingsplicht van ouders voor hun kinderen, die voortvloeit uit het Burgerlijk Wetboek. Zij hebben de regie in het gezin. De gemeente komt in beeld als ouders er, evt. met behulp van het sociaal netwerk, niet uitkomen. De ondersteuning van de gemeente is aanvullend en versterkend, en zo kort mogelijk, uiteraard afhankelijk van de situatie van de jeugdige en zijn ouders. Bij een blijvende lichamelijke of psychische beperking kan de ondersteuning van de gemeente voor langere tijd nodig zijn. Aangesloten wordt bij de ‘eigen kracht’ van het gezin. Vanuit deze startpositie wordt beoordeeld of jeugdhulp nodig is en ingezet wordt.

 

Artikel 28 Vertegenwoordiger

In de Jeugdwet is dit begrip gericht op cliënten die vanwege hun leeftijd of om andere redenen een andere persoon, vaak een van de ouders, namens hen moeten laten optreden.

Het begrip vertegenwoordiger wordt in deze verordening echter gebruikt als overkoepelend begrip en is bedoeld om aan te geven dat het hier degene betreft die een aanvraag namens de cliënt mag indienen of namens hem mag handelen in relatie tot het persoonsgebonden budget.

Als een cliënt niet zelfstandig in staat is tot het behartigen van zijn belangen, bijvoorbeeld als gevolg van een verstandelijke of psycho-geriatrische beperking, of omdat het om een kind gaat, kan deze vertegenwoordiger zijn plaats innemen bij het doen van de melding en het indienen van de aanvraag.

Het college zal er op toezien dat de vertegenwoordiger ook werkelijk de belangen van de cliënt vertegenwoordigt. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college een gemachtigde (waarmee de vertegenwoordiger feitelijk gelijk gesteld kan worden) worden geweigerd als tegen die gemachtigde ernstige bezwaren bestaan.

 

Paragraaf 2. Melding en onderzoek

 

Artikel 29 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen

Inherent aan algemene voorzieningen (Wmo 2015) en overige voorzieningen (Jeugdwet) is, dat deze zonder of met slechts een geringe toetsing zoals bijvoorbeeld een leeftijdsgrens, vrij toegankelijk zijn. Daarom kan de cliënt zich rechtstreeks tot deze voorzieningen wenden.

De voorwaarden die het college aan het gebruik van algemene voorzieningen verbindt gaan om algemene criteria en voorwaarden die niet afhankelijk zijn van de persoonlijke situatie van de cliënt.

Ook personen die op grond van de Wet langdurige zorg in een instelling verblijven kunnen gebruik maken van een algemene voorziening. Er worden in de verordening geen voorbeelden genoemd omdat deze voorzieningen divers kunnen zijn en aan verandering onderhevig.

 

Artikel 30 Cliëntondersteuning

Binnen de door de gemeente vastgestelde ondersteuningsstructuur wordt cliëntondersteuning geboden. Professionals bieden onafhankelijk informatie en advies en ondersteuning.

In het geval een inwoner behoefte heeft aan onafhankelijk ondersteuning door een professional die geen deel uitmaakt van de lokale ondersteuningsstructuur is cliëntondersteuning beschikbaar door een door de gemeente aangewezen instantie. De inwoner kan ook andere instanties of personen hiervoor benaderen.

Het staat de cliënt vrij om zich bij te laten staan door iemand van zijn/haar keuze (vrijwillig of professioneel) uit zijn/haar sociale netwerk dan wel dorpsnetwerk.

Het verstrekken van informatie over onafhankelijke cliëntondersteuning vindt plaats na melding dan wel tijdens het eerste gesprek dat met inwoners in het kader van het onderzoek wordt gevoerd. Daarnaast communiceren we dit via de gemeentelijke communicatiekanalen.

 

Artikel 31 Toegang jeugdhulp via de gemeente

Voor deze verordening is het begrip “melding” van toepassing op jeugdhulp.

Met de melding maakt een persoon, of iemand namens deze persoon, zijn behoefte aan jeugdhulp kenbaar bij het college. Een melding die geen betrekking heeft op de definitie van jeugdhulp, is dus niet een melding in de zin van deze verordening.

Een melding kan gedaan worden in persoon bij een door het college vastgestelde professional uit het dorpsnetwerk van de inwoner. Als de inwoner zich daarbij niet prettig voelt, staan er ook andere mogelijkheden open om zich te melden, waaronder digitaal, schriftelijk of telefonisch.

 

Artikel 32 Onderzoek

Een melding zal gevolgd worden door een gesprek met een door het college aangewezen medewerker. Wie dat is, is afhankelijk van de gestelde hulpvraag en of iemand al bekend is. Dit kan ook via het SamenZorgTeam(SZT) als er sprake is van complexe, op meerdere leefgebieden, specialistische problematiek en onvoldoende zelfredzaamheid van de cliënt.

Als de situatie van de cliënt bij de medewerker voldoende bekend is, kan het onderzoek in overleg met de cliënt worden beperkt tot de onderdelen die volgens de medewerker en de cliënt of zijn vertegenwoordiger of mantelzorger van belang zijn in relatie tot de melding. Dit mag echter niet ten koste gaan van de integraliteit.

Het onderzoek bestaat uit een QuickScan en/of een (integrale) vraaganalyse.

 

Vervolgens is zorgvuldig dossiervorming en zorgvuldige procedure van belang. Het doel van het opstellen van een onderzoek ( met de middelen QuickScan en (Integrale) vraaganalyse) is, samen met de cliënt, zicht te krijgen op en vaststellen van de ondersteuningsbehoefte. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt.

In Hilvarenbeek wordt gewerkt met de QuickScan en of de eventueel daaropvolgende (integrale) vraaganalyse, deze zijn een weergave van het onderzoek. Indien er behoefte bestaat aan een ondersteuning zal er een (integraal) plan van aanpak worden opgesteld, waarin, zoveel als mogelijk, samen met de cliënt de afspraken worden vastgelegd over de inzet van eigen kracht, het sociale netwerk en/of professionals, die nodig zijn om de gewenste resultaten te bereiken.

 

Artikel 33 Toegang jeugdhulp via het medisch domein

In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel g, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing (stap 1) beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de jeugdige of ouder daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp. Deze aanbieder stelt dus in overleg feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen (stap 2).

 

De toets als bedoeld in het tweede en derde lid is bedoeld om een deskundige toeleiding naar de juiste jeugdhulp te ondersteunen. In de Memorie van toelichting op de Jeugdwet wordt deze bevoegdheid als volgt omschreven: 'De gemeente kan in haar verordening niet alleen aangeven welke vormen van jeugdhulp alleen na een besluit van de gemeente of een verwijzing door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts toegankelijk zijn, maar ook de voorwaarden waaronder deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg verkregen kunnen worden. Met andere woorden, de jeugdhulpaanbieder is bij de bepaling welke vorm van jeugdhulp, met welke frequentie en voor hoe lang gebonden aan hetgeen de gemeente hierover in de verordening heeft opgenomen.' Door deze voorwaarde in de verordening op te nemen zijn de jeugdhulpaanbieders gebonden aan het oordeel van het college na toetsing van de aanvraag.

 

Artikel 34 Toegang jeugdhulp via justitieel kader

Een verzoek ten aanzien van een machtiging gesloten jeugdzorg wordt, conform artikel 6.1.8 eerste lid Jeugdwet, door het college van de gemeente waar de jongere woont ingediend.

De uitzondering op deze regel wordt verwoord in het tweede lid van dat artikel. Als er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel, dan is het de GI die het genoemde verzoek indient en niet het college. In de Memorie van Toelichting bij de Veegwet VWS 2015 (Kamerstukken II, 2014/15, 34 191, nr. 3) geeft de wetgever eveneens aan dat artikel 2.11 er toe strekt “de kwaliteit van de voorzieningen op grond van de Jeugdwet te waarborgen alsmede de goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit ervan”. Er wordt vervolgens duidelijk aangegeven dat er in “de parlementaire behandeling diverse malen is aangegeven dat het college de mogelijkheid heeft om jeugdhulpaanbieders te mandateren om namens het college te besluiten welke jeugdhulp jeugdigen of ouders nodig hebben.”

Door deze voorgenomen wijziging in de Jeugdwet is daarmee artikel 2.11 eerste lid Jeugdwet verduidelijkt; het college heeft, na inwerkingtreding van de Veegwet VWS 2015, de mogelijkheid om de vaststelling van rechten en plichten, als bedoeld in een verleningsbesluit, te mandateren.

 

Artikel 35 Spoedeisende ondersteuning

Als het spoedeisende jeugdhulp betreft, kan het college zo nodig een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in artikel 6.1.3 juncto artikel 6.1.8 van de Jeugdwet aanvragen. Dit betreft een nieuwe collegebevoegdheid binnen het vrijwillig kader.

 

Artikel 36 Advisering

Het college kan extern advies inwinnen indien dat voor de beoordeling van een aanvraag nodig is; als dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs een voorwaarde. Onder adviserende instantie kan ook begrepen worden het expertteam vanuit een de combinatie van zorgaanbieders zoals deze met ingang van 1 januari 2023 is ingekocht.

Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de cliënt en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.

In artikel 8.1.2 Jeugdwet van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Het adviesverzoek zal veelal plaatsvinden in de onderzoeksfase. Dit is na melding en voorafgaande aan de aanvraag. Het zal dan deel uitmaken van het onderzoek waartoe de gemeente verplicht is. Het advies zal, indien het tot een aanvraag komt, meegenomen worden in de afhandeling van die aanvraag. Indien nodig kan een advies ook plaatsvinden in de aanvraagfase.

 

Paragraaf 3. Aanvraag en besluit

 

Artikel 37 Aanvraag individuele voorziening

Als de cliënt besluit een aanvraag in te dienen voor een individuele voorziening, moet dit schriftelijk gebeuren.

In nadere regels kan het college vastleggen op welke wijze een aanvraag gedaan moet worden. Dit kan een door het college beschikbaar gesteld aanvraagformulier zijn, maar het college kan hiertoe andere mogelijkheden openstellen.

 

Artikel 38 Beschikking

Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een individuele voorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een persoonsgebonden budget.

 

De in het derde lid onder c genoemde motivatie moet in het besluit worden opgenomen. De motivering moet namelijk een besluit dragen. Het college stelt regels waarop dit plaats zal vinden.

 

In het zesde lid is opgenomen dat het college het nemen van een besluit kan mandateren aan een derde. In het kader van de nieuwe inkoop wordt het plan van aanpak bij hoogspecialistische jeugdhulp in de vorm van zorg in natura ook gezien als beschikking. Dit plan van aanpak wordt opgesteld door de ingekochte zorgaanbieder. Dit is alleen mogelijk als het college de zorgaanbieder mandateert.

 

Paragraaf 3.1. inzet individuele voorzieningen

 

Artikel 39 Inzet voorzieningen

De wetgever waagt zich binnen de Jeugdwet niet aan een definitie voor voorziening, maar geeft wel in de memorie van toelichting aan dat de door de gemeente te treffen voorziening zowel een algemene, vrij toegankelijke voorziening kan zijn als een individuele voorziening. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. Voor de niet vrij toegankelijke vormen van ondersteuning zal door de gemeente of door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts en de jeugdhulpaanbieder eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouders deze ondersteuning daadwerkelijk nodig hebben.

 

Het college kan voorwaarden of verplichtingen verbinden aan individuele voorzieningen. Dat kunnen algemene voorwaarden en verplichtingen zijn.

Lid 6 biedt de mogelijkheid om maatwerk in de vorm van Persoonlijk Passend Pakket(P.P.P.) in te zetten. Dit artikel geeft het college de mogelijkheid om ‘out of the box’ oplossingen te zoeken. In enkele gevallen namelijk is de ondersteuning welke geboden wordt op basis van een individuele voorziening, overige voorziening of andere voorziening onvoldoende om de beperkingen, welke de cliënt in de zelfredzaamheid ondervindt, op te heffen dan wel te verminderen. Om hier toch de juiste ondersteuning in te kunnen zetten is er de mogelijkheid gecreëerd om hier een andere vorm van maatwerk in te zetten.

 

Artikel 40 Individuele voorzieningen

Als algemene voorzieningen niet/onvoldoende in de behoefte aan jeugdhulp kunnen voorzien, kan een individuele voorziening op zijn plaats zijn. Dat vraagt altijd een individuele beoordeling. In dit artikel staan een aantal vormen genoemd die kunnen worden ingezet. Blijkt in een uitzonderlijk geval de inzet van andere – niet genoemde – voorzieningen nodig, dan is het college verplicht te regelen dat die ingezet worden, ook al is die vorm niet gecontracteerd.

 

Onderscheid is gemaakt tussen voorzieningen die aan een jeugdige in de thuissituatie kunnen worden verstrekt, en voorzieningen die kunnen worden ingezet als de jeugdige in het kader van jeugdhulp elders verblijft, bijvoorbeeld in een instelling of een beschermde woonvorm.

 

Artikel 41 Vervoer van en naar hulpaanbieder

Met dit artikel willen we de verantwoordelijkheid voor het vervoer voor jeugdhulp zoveel als mogelijk de verantwoordelijkheid van de ouders laten zijn.

 

Paragraaf 3.2 Criteria voor verstrekking van een individuele

 

Artikel 42 Algemene criteria voor een individuele voorziening

In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is dit vormgegeven.

 

Lid 1

Het college stelt vast of sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. Vervolgens moet het college concreet maken om welke problemen of stoornissen het gaat. Daarna beoordeelt het college welke hulp de jeugdige gelet op deze problematiek nodig heeft om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid of voldoende redzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. Vervolgens beoordeelt het college wat de jeugdige en zijn ouders zelf kunnen doen (eigen kracht – zie ook artikel 3.4). Tot slot kijkt het college of er andere mogelijkheden zijn om in de behoefte aan jeugdhulp te voorzien, zoals een voorliggende voorziening, dwz. een voorziening op grond van een andere wet als de Jeugdwet die een oplossing geeft voor de hulpvraag (artikel 1.2 Jeugdwet). Deze stappen volgen al uit artikel 2.3 Jeugdwet, maar zijn hier als voorwaarden voor individuele voorzieningen opgenomen.

 

Lid 2

Hier is opgenomen dat voor jongeren van 16+ een plan van aanpak opgesteld wordt waarin perspectief geboden wordt richting het bereiken van de 18 jarige leeftijd. Er ligt hier breed een verplichting voor zowel de gemeentelijke toegang, het medisch domein, gecertificeerde instelling en de jeugdhulp aanbieder. Bij het bereiken van uiterlijk de leeftijd van 17 en een half jaar moet duidelijk zijn of en zo ja hoe de ondersteuning er na het bereiken van de 18 jarige leeftijd de ondersteuning eruit ziet.

 

Lid 3

Belangrijk uitgangspunt bij het inzetten van voorzieningen, is dat het college het beschikbare budget doelmatig besteed. Daarom kiest het college, rekening houdend met alle relevante factoren (zie artikel 2.3), voor de voorziening die de gemeente het minste kost, als er een keus gemaakt kan worden uit meerdere voorzieningen.

 

Artikel 43 Eigen kracht binnen de Jeugdwet

De Centrale Raad van Beroep heeft op 29 mei 2024 on een drietal uitspraken vastgesteld dat in de gemeentelijke verordening een hoofdrichting moet zijn opgenomen over hoe invulling wordt gegeven aan de voorwaarde ‘eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen’ (eigen kracht) van ouders. Die invulling staat in dit artikel. De afwegingscriteria en beoordelingsfactoren uit dit artikel geven invulling aan het begrip eigen kracht.

 

Lid 1

In lid 1 staat dat ouders en jeugdigen primair zelf verantwoordelijk zijn voor het vinden van een antwoord op de opgroei- en opvoedingsvragen die zij hebben. Zij zetten hun eigen kracht daarvoor in. Artikel 1.2 is onverminderd van toepassing: voor ouders geldt dat zij een zorgplicht hebben voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen. Deze verplichting vloeit voort uit de artikelen 1:82 BW en 1:247 BW, en omvat o.a. ouderlijk toezicht, verzorging, begeleiding en opvoeding.

 

Lid 2

Hier worden vier situaties genoemd waarin sprake is van eigen kracht. Activiteiten, handelingen e.d. die als gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp van ouders kunnen worden aangemerkt, vallen onder het begrip ‘eigen kracht’ (zie de definitie uit artikel 1 lid 1 onderdeel d). De inzet van sociaal netwerk en het benutten van andere passende voorzieningen vallen daar ook onder. Bij dergelijke voorzieningen gaat het niet alleen over wettelijke voorzieningen, zoals op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, maar ook diensten die maatschappelijke organisaties aanbieden, zoals coaching, schuldhulpverlening, opvoedondersteuning e.d. Die inzet moet dan wel concreet beschikbaar zijn. Het college moet dat onderzoeken. Deze bepaling moet ook worden gelezen in samenhang met artikel 1.2 (Uitgangspunt). Daar is verwoord, dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Dat geldt in principe ook als de zorg verder gaat dan wat in het algemeen verwacht mag worden van ouders, bijvoorbeeld omdat ze omvangrijker, intensiever of langduriger is dan wat gebruikelijk is (bovengebruikelijke hulp).

 

Lid 3

Gebruikelijke hulp en kortdurende bovengebruikelijke hulp vallen onder de zorgplicht/verantwoordelijkheid van ouders voor hun kinderen, en daarmee de ‘eigen kracht’ van ouders. Van ouders wordt in beginsel verwacht dat zij hun gezins- en maatschappelijk leven zo organiseren, dat ze hun kinderen de zorg en opvoeding kunnen geven die nodig is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan voor handelingen en activiteiten die onder gebruikelijke hulp vallen, een individuele voorziening worden gegeven. De ‘eigen kracht’ van ouders schiet dan tekort. Er moet dan wel echt iets bijzonders aan de hand zijn, waardoor de zorg niet door de ouders geleverd kan worden. (dreigende) Overbelasting en aantoonbare belemmeringen aan de kant van de ouders kunnen daarvoor een aanleiding vormen. Het is aan ouders om dat aan te tonen. De capaciteiten en de beschikbaarheid van de ouders spelen daarbij een belangrijke rol (afwegingsfactoren). Van ouders wordt verwacht dat zij overbelasting voorkomen (zie ook lid 7) en werken aan versterken van hun belastbaarheid. Dit geldt ook voor kortdurende bovengebruikelijke hulp (voor een kortere, afgebakende periode, max. drie maanden). De gemeente kan dan bijspringen om ouders te ondersteunen. Die ondersteuning is in principe tijdelijk, totdat ouders weer zelf de zorg en opvoeding op zich kunnen nemen. Uiteindelijk gaat het erom dat draagkracht en draaglast van het gezin weer in balans komen. Voor langdurige bovengebruikelijke hulp (in de regel structureel, langer dan drie maanden) geldt een iets genuanceerdere toets (zie verder lid 5).

 

Lid 4

Om te kunnen bepalen wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp, geldt een aantal factoren waarmee rekening moet worden gehouden. Die zijn hier beschreven. Het komt er kortgezegd op neer, dat aan de hand van deze factoren onderzocht wordt of de hulp past bij een kind dat zich op een gangbare manier ontwikkelt. Is dat het geval, dan kunnen we spreken van gebruikelijke hulp. Omdat we echter niet zonder meetlat kunnen bij het bepalen wat in het algemeen een normaal ontwikkelingsprofiel is, maken we gebruik van de uitgangspunten, genoemd in de CIZ-indicatiewijzer 2014, Richtlijnen voor Gebruikelijke zorg van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel bij verschillende leeftijden in relatie tot AWBZ-zorg (Paragraaf 3 van bijlage 3 bij de Beleidsregels: Gebruikelijke zorg). Dit wordt verder uitgewerkt in beleidsregels. Het gaat om een richtlijn en uitgangspunten, dus maatwerk is mogelijk. Daarbij kan bijv. ook de culturele achtergrond betrokken worden.

 

Lid 5

Bij langdurige of structurele hulpvragen onderzoekt het college een aantal zaken. Dat onderzoek gaat verder dan alleen maar de vraag of er (dreigende) overbelasting is of bepaalde belemmeringen in de gezinssituatie, zoals een verstandelijke beperking bij de ouders. Doorslaggevend is of de bovengebruikelijke hulp nog kan worden verlangd van ouders. Dat vraagt een totaalbeoordeling op basis van de genoemde afwegingsfactoren. Deze zijn bepalend voor de vraag of ouders uitdrukking moeten geven aan hun zorgplicht, of dat aanvullende jeugdhulp ingezet kan worden. Daaronder valt ook het belang om te voorzien in een inkomen. Leidt de zorg voor kinderen ertoe dat ouders niet langer kunnen rondkomen en in de bestaanskosten kunnen voorzien, dan is dit een belangrijke afwegingsfactor en een belangrijke aanwijzing dat jeugdhulp op zijn plaats kan zijn. De hier genoemde afwegingsfactoren komen inhoudelijk overeen met de factoren uit artikel 3.12 lid 7 van de Verordening jeugdhulp gemeente Tilburg 2025, maar zijn hier kernachtiger weergegeven. Zo wordt onder het begrip ‘mogelijkheden’ niet alleen vaardigheden verstaan, maar ook de situatie waarin de jeugdige of ouders zich bevindt.

 

Lid 6

Ook bij langer durende bovengebruikelijke hulp geldt het uitgangspunt dat ouders verantwoordelijk zijn voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Ook die hulp valt onder de zorgplicht en de ‘eigen kracht’ van de ouders. Toch kunnen er omstandigheden zijn waaronder dat niet langer van de ouders kan worden gevraagd. Dat wordt beoordeeld op basis van de afwegingsfactoren uit het vijfde lid. Uiteindelijk gaat het bij langer durende bovengebruikelijke hulp om de vraag hoe de balans in het gezin hersteld kan worden en welke rol de gemeente daarin kan spelen. Enige verstoring van die balans moet in de regel ook worden geaccepteerd door de ouders. Dan kan extra inzet van de ouders nodig zijn. Duurt dat langer en is de balans ernstig verstoord, dan komt aanvullende inzet van de gemeente in beeld.

 

Lid 7

Van ouders wordt verwacht dat zij zich – binnen hun mogelijkheden – inzetten om zelf de problemen bij de opvoeding en het opgroeien op te lossen, zodat de ondersteuning van de gemeente zo kort mogelijk is. Het is uiteindelijk hun taak kinderen te verzorgen en op te voeden, niet die van de gemeente. Dat kan soms bijvoorbeeld door aanpassing van werkritme en -patroon, of door beperking van andere activiteiten buiten het gezin. Maar ook andere opties kunnen in beeld komen.

 

Paragraaf 3.3 Een gezin, een plan een aanspreekpunt

 

Artikel 43 Verstrekking binnen een gezin

Binnen de gemeente Hilvarenbeek is ‘een gezin, een plan, een aanspraakpunt’ een belangrijk uitgangspunt. In dit kader wordt er naar gestreefd dat als er ondersteuningsbehoefte bestaat zowel met betrekking tot de maatschappelijke ondersteuning als met betrekking tot de Jeugdhulp hier te komen tot een integraal plan van aanpak. Dat wordt in dit artikel onderstreept.

 

Paragraaf 4 Persoonsgebonden budget

 

Artikel 44 Mogelijkheid tot het kiezen voor een persoonsgebonden budget

Op grond van artikel 8.1.1. Jeugdwet moet de cliënt voldoen aan een aantal voorwaarden om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze zijn:

  • hij moet, al dan niet met ondersteuning, in staat zijn om een pgb te beheren. Dat wil zeggen dat hij de administratieve verantwoordelijkheden aankan, maar ook kan bepalen wat hij nodig heeft en door hem ingeschakelde personen kan aansturen;

  • hij kan motiveren waarom hij de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wenst te ontvangen; de jeugdige of zijn ouders moeten zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door de aanbieder niet passend acht;

  • de diensten, hulpmiddelen e.d. die hij met het pgb wenst in te kopen worden veilig, doeltreffend en cliëntgericht verstrekt en dragen bij aan het behalen van het beoogde resultaat.

Ook bepaalt de wet dat het college een pgb kan weigeren:

  • voor zover de kosten van de met het pgb in te kopen ondersteuning hoger zijn dan de kosten van de individuele dan wel maatwerkvoorziening; of

  • indien het college eerder een beslissing voor het verstrekken van een individuele voorziening dan wel maatwerkvoorziening of pgb heeft herzien in verband met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de individuele voorziening of pgb of bij een onjuiste besteding van een pgb.

Om te kunnen vaststellen of de cliënt aan deze voorwaarden voldoet, wordt van de cliënt verwacht dat hij een gemotiveerd verzoek indient als hij voor een pgb in aanmerking wil komen. Aan dit verzoek wordt een aantal eisen verbonden, dat is opgenomen in het eerste lid.

In het tweede lid zijn aanvullende eisen voor een pgb opgenomen.

 

Uitgangspunt is dat de cliënt naar het oordeel van het college voldoet aan alle in artikel 8.1.1. Jeugdwet genoemde voorwaarden en dat op de cliënt ook niet de in dat artikel genoemde weigeringsgronden van toepassing zijn.

 

Als een cliënt niet zelf tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, moet zijn gewaarborgd dat een derde die de cliënt daarbij ondersteunt hiertoe wel in staat is en er ook geen ongewenste belangenverstrengeling aan de orde is. Om die reden moet een aantal voorwaarden door het college gesteld worden aan deze begeleiding.

 

In het vierde lid is een aantal aanvullende weigeringsgronden opgenomen:

Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 35 is er nog geen sprake van geïndiceerde ondersteuning. In zo’n geval is de ondersteuning niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt aan de orde, dan kan de cliënt uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.

 

Besteding van een pgb in het buitenland is alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Het college zal hierbij toetsen of de besteding van het pgb past binnen het ondersteuningsplan en de te behalen resultaatgebieden.

 

Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem begeleidt met het beheer van het pgb. Ook mogen er van het pgb geen administratiekosten worden betaald. Ook de eigen bijdrage mag niet uit het pgb betaald worden.

 

Bij de inzet van Pgb moet de cliënt kiezen om deze òf in natura òf in de vorm van een pgb te ontvangen. Hierop bestaat een uitzondering, nl. indien er ook een pgb ingezet wordt vanuit informele zorg, dit moet naast de zorg in natura mogelijkheid blijven.

 

Artikel 45 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp

Lid 1

Afhankelijk van de hulpvraag kan het college professionele hulp en andere vormen van hulp (informele hulp) inzetten via een pgb. Het onderscheid is van belang voor de tariefstelling. De gemeente kan voor informele hulp een ander tarief hanteren. Dit sluit aan bij de systematiek uit de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw). Wanneer het professionele en wanneer het informele tarief geldt, moet de gemeenteraad in de verordening regelen.

 

Lid 2

Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep én als voldaan wordt aan een aantal kwaliteitscriteria. De hulp moet worden verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (zzp-er), die onder toezicht staan van de in de Jeugdwet aangewezen inspecties. Van professionele hulp is sprake als de hulpverlener een BIG- of SKJ- of andere erkende registratie heeft. Dat kan verder worden ingekleurd in Nadere regels.

 

Lid 3

Onder informele hulp wordt alle hulp verstaan die geboden wordt door personen die niet aan de gestelde criteria voor beroeps- of bedrijfsmatige jeugdhulp voldoen. Personen die jeugdhulp bedrijfs- of beroepsmatig verlenen, maar niet aan de gestelde kwaliteitscriteria uit het tweede lid voldoen, worden daarom ook aangemerkt als informele hulpverlener.

 

Lid 4

Bij de hier genoemde groep personen is er altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling. In het kader van deze verordening geldt dat als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat personen uit het sociaal netwerk met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een sociale relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.

 

Artikel 46 Tarieven - Onderscheid professionele en informele hulp

Lid 1

Het budgetplan vormt de basis om vast te stellen of aan de voorwaarden voor een pgb is voldaan en zo ja, wat dan de hoogte van het tarief voor het pgb wordt. Als het budgetplan onvoldoende informatie bevat, kan het college om aanvulling vragen. Geeft het budgetplan uiteindelijk nog onvoldoende zekerheid, dan kan het pgb worden afgewezen en wordt zorg in natura ingezet. Het college kan over het budgetplan nadere regels stellen.

 

Lid 2

Het tarief voor professionele jeugdhulp wordt gesteld op een percentage (85%) van de zorg in natura tarieven, tenzij uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden (lid 6). Het tarief is lager dan de zorg in natura-tarieven, gelet op het ontbreken van een aantal kosten voor de budgethouder.

 

Lid 3

Ook voor de tarieven voor professionele jeugdhulp geldt, dat deze wijzigen vanaf de datum waarop de tarieven voor zorg in natura wijzigen.

 

Lid 4

Uit de Jeugdwet volgt dat de hoogte van een pgb zodanig moet zijn, dat hiermee passende hulp kan worden ingekocht. Met de hoogte van het pgb-tarief zoals vastgelegd in het eerste lid, is in beginsel aan deze voorwaarde voldaan. Blijkt dat in een individueel geval niet zo te zijn, dan moet de hoogte van het pgb voor die individuele situatie worden aangepast. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de passende jeugdhulp bij ten minste één aanbieder moet kunnen worden ingekocht. Daarmee wordt aangesloten bij Wmo-jurisprudentie, die naar alle waarschijnlijkheid ook voor de Jeugdwet geldt (zie CRvB 19-09-2012, nr. 10/3482 WMO en Rechtbank Overijssel 20-02-2017, nr. 16/1676 AK/ZWO).

 

Lid 5

Bij ondersteuning vanuit het informele circuit zullen deze kosten nog lager zijn. Bij informele zorg is men inmiddels ook gehouden om, ingeval van een arbeidsovereenkomst, het wettelijk minimum loon uit te betalen.

Voor informele ondersteuning gegeven door een niet professional niet behorende tot de familie/sociaal netwerk geldt een tarief van 125% van het wettelijk minimum loon.

 

Lid 6

In aansluiting op het uitgangspunt, dat voor de minst kostbare oplossing wordt gekozen om aan de hulpvraag tegemoet te komen, als er verschillende passende oplossingen zijn, geldt ook voor de tariefstelling, dat uitgegaan wordt van een lager tarief dan de norm, als degene die jeugdhulp verleent, bereid is om dat voor een lager bedrag te doen.

 

Artikel 47 Besteding en verantwoording van het pgb

De Sociale Verzekeringsbank beheert het pgb van de cliënt en keert het pgb uit aan de leverancier of dienstverlener, op basis van de facturen die de cliënt bij de Sociale Verzekeringsbank indient.

Het college zal in nadere regels vastleggen welke regels er voor de cliënt gelden ten aanzien van de besteding en verantwoording van het pgb. Daarbij staat voorop dat het pgb zal moeten worden besteed voor het bereiken van de vastgestelde resultaten.

Ook zal het niet mogelijk zijn om een pgb onbeperkt op te sparen.

 

Hoofdstuk 3. Algemene bepalingen maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp

 

Paragraaf 1. Bestrijding misbruik, kwaliteit en veiligheid, klachten en medezeggenschap

 

Artikel 48 Kwaliteitseisen aanbieders zorg in natura

In artikel 3.1 Wmo 2015 staat dat de aanbieder van een voorziening er zorg voor moet dragen dat een voorziening van goede kwaliteit is. De voorziening wordt in ieder geval:

  • a.

    veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht verstrekt;

  • b.

    afgestemd op de reële behoefte van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt;

  • c.

    verstrekt in overeenstemming met de op de beroepskracht rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard;

  • d.

    verstrekt met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt.

In dit artikel worden de wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen die worden gesteld aan de aanbieder verder uitgebreid. Zo worden er eisen gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de deskundigheid van het ingezette personeel.

 

In de Jeugdwet worden in paragraaf 4.1 vergelijkbare kwaliteitseisen gesteld aan de hulp die de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling aanbiedt. In dit artikel worden deze wettelijk vastgestelde kwaliteitseisen die worden gesteld aan de aanbieder, verder uitgebreid. Zo zal het college een keurmerk of vergelijkbare kwaliteit eisen van een aanbieder, als er voor zijn branche een keurmerk bestaat. Daarnaast worden er eisen gesteld aan het ingezette personeel. Ook wordt er op gewezen dat de hoofdaannemer er zorg voor draagt dat de door hem ingezette onderaannemers aan de gestelde kwaliteitseisen voldoen. De kwaliteitseisen worden opgenomen in de contracten die met de aanbieders worden afgesloten.

 

Het college ziet toe op de naleving van de gestelde kwaliteitseisen onder andere door het instellen van een periodiek cliëntervaringsonderzoek. Uitgangspunt hierbij is dat een cliënt in staat moet zijn om te beoordelen of een resultaat behaald wordt en daarmee ook de nodige kwaliteit.

 

Artikel 49 Kwaliteitseisen zorg- en dienstverleners persoonsgebonden budget

De kwaliteitseisen zoals bepaald voor aanbieders zorg in natura hebben tevens betrekking op de kwaliteit van de voorziening die een cliënt met een pgb inkoopt. Welke kwaliteitseisen de cliënt wil stellen, is in eerste instantie aan de pgb-houder. Echter, slechts voor professionele dienstverlening wordt het formele tarief verstrekt. Het college kan de kwaliteit van de aanbieder toetsen in relatie tot het bereiken van de in het pgb-plan gestelde doelen en resultaten, de doelmatigheid en de veiligheid. Het college weegt bij de beoordeling mee of de diensten, hulpmiddelen woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt. De gemeente vraagt hiervoor de cliënt dit inzichtelijk te maken. Het college stelt hier nadere regels voor.

 

Artikel 50 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door aanbieders

Op 1 juni 2017 trad het gewijzigde uitvoeringsbesluit Wmo 2015 in werking. Er is een nieuw artikel 5.4 toegevoegd aan het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dat tot doel heeft dat een gemeente een reële prijs betaalt voor een Wmo dienst, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen van kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die deze dienst verleent aan de cliënt. Naar aanleiding hiervan wordt de verordening aangepast. De AMvB is van toepassing op alle vormen van Wmo-dienstverlening, uitgezonderd de verstrekking van (vervoer)hulpmiddelen en woningaanpassingen.

 

De Nota van Toelichting bij dit gewijzigde Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verbreedt de nieuwe regels ook tot het beleidsdomein Jeugdhulp. Want gemeenten en aanbieders werken aan nieuwe vormen van dienstverlening aan cliënten over de grenzen van de afzonderlijke wetten voor het sociaal domein. Hoewel het nieuwe artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit alleen ziet op diensten in het kader van de Wmo 2015, levert dat geen beperking op voor het verlenen van sociaal domein brede opdrachten. Artikel 2.12 van de Jeugdwet bevat immers eenzelfde inhoudelijke strekking als artikel 2.6.6 van de Wmo 2015 en vraagt op vergelijkbare wijze van de gemeenteraad bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van een voorziening.

 

In het eerste lid wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4. Wmo 2015, of een vaste prijs vaststelt of een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

 

Lid 2. Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, Wmo 2015 en met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, Wmo 2015, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeenten. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht.

 

Het derde lid stelt dat het college de vaste prijs of de reële prijs minimaal moet baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. De opsomming in dit lid is niet uitputtend. De gemeente kan er elementen aan toevoegen.

 

Het vierde lid biedt het college de mogelijkheid om geen vaste of reële prijs te bepalen op basis van de genoemde kostprijselementen maar de bepaling van de hoogte van een reële prijs over te laten aan de inschrijvende partijen. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

 

Het vijfde lid stelt dat het college bepaalt met welke derde hij een overeenkomst aangaat. Hieronder wordt verstaan een aanbieder, te weten een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die jegens het college gehouden is een voorziening te leveren (zie artikel 1.1.1 Wmo 2015). Het overeenkomen van contracten is het primaat van het college. Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 treedt dan ook niet in de contractvrijheid van het gemeentebestuur. Het college legt hierover verantwoording af aan de gemeenteraad.

 

Artikel 51 Melding calamiteiten en geweld

De aanbieder van een maatwerkvoorziening in de vorm van dienstverlening en aanbieders van de Jeughulp dient te handelen conform de regels en afspraken die gelden voor Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling. Dit geldt ook voor het door het college aangewezen medewerkers en beroepskrachten in het dorpsnetwerk waar inwoners zich kunnen melden.

 

De aanbieder en de medewerker heeft op grond van de wet een meldingsplicht bij de gemeentelijke toezichthouder.

 

Artikel 52 Klachten tegen medewerkers

De cliënt heeft de mogelijkheid om bij de gemeentelijke organisatie een klacht in te dienen over de wijze waarop hij bejegend wordt dan wel de wijze waarop de afhandeling van melding en aanvraag heeft plaats gevonden door een door het college aangewezen medewerkers.

 

Artikel 53 Klachten aanbieders

Iedere aanbieder van een maatwerkvoorziening en iedere aanbieder van Jeugdhulp is verplicht te beschikken over een klachtenprocedure. Tot deze klachtenregeling kan ook behoren een cliënt ervaringsonderzoek.

 

Artikel 54 Medezeggenschap

Voor aanbieders van maatwerkvoorzieningen voor dienstverlening en aanbieders jeugdhulp is het verplicht om een regeling te treffen voor medezeggenschap. Dit zal in veel gevallen een cliëntenraad zijn. Op deze manier kunnen cliënten invloed uitoefenen op besluiten die voor hen van belangzijn. Paragraaf 4.2.b Jeugdwet en artikel 3.2 Wmo 2015.

De aanbieders zijn verplicht helder te maken hoe de medezeggenschap en klachtenregeling bij hun organisatie is geregeld.

 

Artikel 55 Betrokkenheid inwoners bij de uitvoering van de wet

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, Wmo 2015. Het wordt aan het college overgelaten hoe invulling te geven aan de medezeggenschap van burgers.

Hier is deels invulling aangegeven middels de Verordening Participatieraad Sociaal Domein gemeente Hilvarenbeek 2019. Het uitgangspunt van deze verordening is dat de vertegenwoordiging zo breed als mogelijk binnen het sociaal domein moet worden vorm gegeven.

De hierboven genoemde verordening staat er echter niet aan in de weg dat het college ook nog op andere wijze de inwoners betrekt bij de uitvoering van de Wmo 2015 en de Jeugdwet.

 

Paragraaf 2. Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik van de maatwerkvoorzieningen en individuele voorzieningen en herziening, intrekking en terugvordering

 

Artikel 56 Tegengaan oneigenlijk gebruik

De raad zet in op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Daartoe is in dit artikel een aantal maatregelen opgenomen die in dit kader in ieder geval van het college worden verwacht.

Het gaat bijvoorbeeld om een goede toegangsprocedure, resultaatsturing, monitoring en het aanwijzen van toezichthouders.

Ten aanzien van pgb-verstrekkingen speelt daarnaast een rol dat er in geval dienstverlening sprake is van een trekkingsrecht: de cliënt krijgt het pgb niet in handen, maar de rekeningen worden gedeclareerd bij het SVB die deze vervolgens na controle uitkeert.

 

Artikel 57 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Het artikel is voor een groot deel een herhaling van wat in de jeugdwet en de Wmo 2015 is opgenomen.

Met opname van deze wettekst in de verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

In lid 2 onder en lid 5 is de mogelijkheid gegeven om bij een derde (zorgaanbieder) een pgb terug te vorderen.

Daarnaast wordt bij overlijden of bij verhuizing buiten de gemeente de restwaarde van de voorziening terug gevraagd Er is geen juridische basis voor het terug vorderen van het pgb, maar de voorziening is verstrek met gemeenschapsgeld en ligt voor de hand dat dit geld terug vloeit naar de gemeente.

Het derde lid is een ‘kan’-bepaling. Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee een voorziening treft. Als binnen zes maanden na de beslissing tot het verstrekken van het pgb nog geen voorziening is getroffen, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het derde lid, onder d (dat tevens op maatwerkvoorzieningen (in natura) ziet).

Lid vier maakt een onderscheid tussen de Jeugdwet en de WMO 2015. Binnen de Jeugdwet is terug vordering mogelijk als de verstrekking van de voorziening heeft plaatsgevonden op basis van onjuiste of onvolledige gegevens. Binnen de Wmo 2015 daarbij sprake zijn van opzet. Is er geen sprake van opzet dan kan er ook niet terug gevorderd worden.

 

Voor beide geldt overigens ook dat er teruggevorderd kan worden als door de cliënt medewerking verleend is aan het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens.

De terugvordering van een maatwerkvoorziening geschiedt op basis van de kostprijs van de maatwerkvoorziening. Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat het college de maatwerkvoorziening terug te halen. Ook een met een pgb betaalde voorziening kan het college in voorkomende gevallen terugvragen als het besluit tot verstrekking van het pgb is ingetrokken.

 

Artikel 58 Opschorting betaling uit het pgb

Artikel spreekt voor zich.

 

Hoofdstuk 4. Overgangsrecht en slotbepalingen

 

Artikel 59 Indexering

Deze bepaling maakt het mogelijk om de bedragen die gebaseerd zijn op deze verordening te indexeren. Of daarvoor bijvoorbeeld de consumentenprijsindex (cpi) van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wordt genomen, of een andere index, kan per voorziening door het college worden bepaald.

Voor de indexering van pgb vanuit informele ondersteuning wordt aansluiting bij het wettelijk minimum loon.

 

Artikel 60 Nadere regels en beleidsregels

Het college kan nadere regels en beleidsregels vaststellen ter uitvoering van deze verordening.

Nadere regels zijn slechts mogelijk, voor zover dit past binnen de artikelen 147 en 156 van de Gemeentewet en op basis van de Wmo 2015 en Jeugdwet niet is bepaalt dat de regels bij verordening moeten worden vastgesteld. Bij een aantal artikelen in deze verordening staat expliciet opgenomen dat hierover nadere regels (kunnen) worden opgesteld.

Op grond van artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hoeft dit formeel niet in deze verordening te worden opgenomen dat het college ook bevoegd is tot het vaststellen van beleidsregels omdat het college de taak heeft de Wmo 2015 en de Jeugdhulp uit te voeren en daarmee ook de bevoegdheid tot het vaststellen van beleidsregels. Voor de volledigheid is deze bevoegdheid toch in dit artikel opgenomen, zodat hier geen twijfel over kan bestaan.

Onder beleidsregel wordt in de Awb verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

 

Artikel 61 Onvoorzien en hardheidsclausule

Mocht in bepaalde gevallen niet worden voorzien door de verordening, dan wordt het college alsnog de mogelijkheid geboden hier alsnog in te voorzien.

 

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen van deze verordening. Afwijken kan enkel ten gunste, niet ten nadelen van de aanvrager. Benadrukt wordt dat slechts in bijzondere gevallen gebruik gemaakt kan worden van de hardheidsclausule. Het college geeft bij toepassing van deze clausule duidelijk aan waarom van de verordening moet worden afgeweken.

 

Artikel 62 Intrekking oude verordening

Artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 63 Overgangsbepalingen

In dit artikel wordt het overgangsrecht geregeld voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordeningen.

De overgangsbepalingen hebben slechts betrekking op de situatie waarin voor inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag voor ondersteuning is ingediend.

 

In het eerste lid is geregeld dat op een aanvraag die voor 1 januari 2023 is ingediend, maar waarop op 1 januari 2023 nog niet is beslist, de afhandeling geschiedt op basis van de deze verordening.

In bezwaarprocedures is de regelgeving van toepassing die ten grondslag heeft gelegen aan het besluit waartegen bezwaar is ingediend.

In de verordening zijn eisen opgenomen die betrekking hebben op de werkwijze en organisatie van aanbieders van (maatwerk)voorzieningen. Er kan sprake zijn van een overeenkomst of subsidierelatie met een aanbieder die al voor de inwerkingtreding van deze verordening is ingegaan. In dat geval zullen niet altijd alle eisen zijn opgenomen die nu in de verordening zijn opgenomen. De eisen zullen dan pas kunnen worden opgenomen bij de verlenging van de overeenkomst of subsidierelatie of als er een nieuwe overeenkomst in werking treedt.

 

Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de ‘Vj&mo 2019 tot het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

 

Artikel 64 Inwerkingtreding

Artikel spreekt voor zich.

 

Artikel 65 Citeertitel

Artikel spreekt voor zich.