Beleidsregels terugvordering, invordering en verhaal 2026 gemeente Hilvarenbeek

woensdag 18 maart 2026
Type bekendmaking: beleidsregel



Beleidsregels terugvordering, invordering en verhaal 2026 gemeente Hilvarenbeek

Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Hilvarenbeek;

 

gelet op het bepaalde in:

  • titel 4.3 van de Algemene wetbestuursrecht

  • artikel 160, eerste lid, onder a Gemeentewet

  • de paragrafen 6.4 en 6.5 van de Participatiewet

overwegende dat:

het wenselijk is regels vast te stellen over hoe het college gebruikmaakt van de bevoegdheid om kosten van bijstand terug te vorderen, in te vorderen of te verhalen,

 

besluit vast te stellen de beleidsregels terugvordering, invordering en verhaal 2026 gemeente Hilvarenbeek.

 

HOOFDSTUK 1: ALGEMEEN

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Participatiewet), de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2024.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen.

    • b.

      Inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17, eerste lid van de Participatiewet, artikel 13, eerste lid van de IOAW, artikel 13, eerste lid van de IOAZ.

    • c.

      Invordering: invordering bestaat uit alle handelingen met als doel het daadwerkelijk innen van de vordering, anders gezegd: de terugbetaling.

    • d.

      Kwijtschelding: het afzien van (verdere) terug- en invordering van het oorspronkelijke dan wel restant bedrag van de vordering.

    • e.

      LBIO: Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen. Dit bureau is onderdeel van de overheid en voert incasso-taken uit op het gebied van alimentatie.

    • f.

      Onderhoudsplichtige: degene die een financiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/ of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak.

    • g.

      Suwinet: een onderdeel van het Bureau Keteninformatie Werk en Inkomen, waarin overheidsorganisaties gegevens van inwoners kunnen raadplegen die bij andere overheidsorganisaties of basisregistraties zijn opgeslagen.

    • h.

      Tremanorm: de normen om onderhoudsbijdragen te berekenen, zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor de rechterlijke macht (Trema).

    • i.

      Verhaal: het opleggen van een onderhoudsbijdrage als bedoeld in § 6.5 van de wet aan de onderhoudsplichtige (ex-)partner, ouder van een kind of ouder van een jongmeerderjarige.

    • j.

      Vervaldatum: de datum waarop de belanghebbende een termijnbedrag dient te hebben betaald.

    • k.

      WSNP: Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

  • 3.

    Deze beleidsregels hebben betrekking op vorderingen die voortkomen uit de Participatiewet, IOAW of IOAZ. Voor vorderingen die voortkomen uit andere regelingen gelden de bepalingen uit die regelingen, dan wel de regelingen ingevolge de Awb.

HOOFDSTUK 2: TERUGVORDERING

Artikel 2: Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

  • 1.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het opschorten van het recht op uitkering ingevolge artikel 54, eerste en tweede lid van de Participatiewet, artikel 17, eerste en tweede lid van de IOAW of van de IOAZ.

  • 2.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid tot het herzien of intrekken van het besluit tot toekenning van een uitkering ingevolge artikel 54, derde en vierde lid van de Participatiewet, artikel 17, derde en vierde lid van de IOAW of van de IOAZ.

  • 3.

    Het college vordert de ten onrechte verleende uitkering terug, zoals neergelegd in de artikelen 58 tot en met 60a van de Participatiewet en artikelen 25 tot en met 28, 30 en 31 IOAW/IOAZ.

  • 4.

    Bij de vaststelling van elk besluit op basis van de eerste tot en met derde leden wordt een toets aan de evenredigheid uitgevoerd. Dit houdt in dat de nadelige gevolgen voor de belanghebbende niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel van het besluit. De evenredigheid wordt beoordeeld aan de hand van drie beoordelingspunten, zoals beschreven door de Raad van State (RvS), en verder toegelicht in de toelichting bij deze beleidsregels.

Artikel 3: Zes-maandenjurisprudentie

  • 1.

    Het college vordert geen ten onrechte betaalde uitkering terug voor zover deze is betaald meer dan zes maanden na ontvangst van een signaal van belanghebbende waaruit het college had moeten afleiden dat te veel of ten onrechte uitkering werd betaald.

  • 2.

    Onder een signaal als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie van belanghebbende, waaruit concreet kan worden afgeleid dat er sprake is van een fout op grond waarvan het college actie moet ondernemen.

  • 3.

    De beperking tot zes maanden zoals bedoeld in het eerste lid geldt niet als belanghebbende zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.

Artikel 4: Terugvordering loonbelasting en premies (brutering)

Over de uitkering reeds afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen worden teruggevorderd, tenzij:

  • a.

    deze nog verrekend kunnen worden met de door het college nog af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen; of

  • b.

    de vordering buiten toedoen van de belanghebbende is ontstaan en het hem of haar niet is aan te rekenen dat de schuld niet binnen het betreffende boekjaar is terugbetaald.

Artikel 5: Afzien van het nemen van een besluit tot terugvordering

  • 1.

    Er kan worden afgezien van een terugvorderingsbesluit indien het een niet verwijtbare vordering betreft waarbij het volledige (netto) terug te vorderen bedrag onder € 100,- blijft.

  • 2.

    Er kunnen in individuele situaties dringende redenen zijn op grond waarvan van een terugvorderingsbesluit kan worden afgezien.

  • 3.

    Indien op een later tijdstip blijkt, dat belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt waaruit blijkt dat de juiste informatie tot een ander besluit zou hebben geleid, dan volgt de wettelijke verplichting tot terugvordering.

HOOFDSTUK 3: INVORDERING EN KWIJTSCHELDING

Artikel 6: Volgorde van invordering

  • 1.

    Bij meerdere vorderingen geschiedt de betaling of verrekening op de oudste vordering, tenzij:

    • a.

      er een nieuwe vordering is die betrekking heeft op een belaste uitkering in het lopende kalenderjaar; of

    • b.

      de belanghebbende op grond van artikel 4:92, tweede lid, Awb een andere vordering aanwijst waaraan de betaling moet worden toegerekend.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, vindt de invordering van een bestuurlijke boete bij voorrang plaats, tenzij:

    • a.

      er sprake is van beslaglegging door een derde schuldeiser. In dat geval vordert het college eerst de openstaande vordering in; of

    • b.

      het mogelijk is om brutering van de vordering te voorkomen door eerst de openstaande vordering in te vorderen.

Artikel 7: Mogelijkheden van invordering

  • 1.

    Het uitgangspunt is dat de vordering voor zover mogelijk wordt verrekend met de uitkering volgens de bepalingen van artikel 60, derde en vierde lid, Participatiewet dan wel artikel 28, derde en vierde lid, IOAW/IOAZ.

  • 2.

    Wanneer er geen lopende uitkering is of verrekening met een lopende uitkering is niet mogelijk, dan wordt belanghebbende aangeschreven om, voor zover mogelijk de vordering binnen zes weken in één keer terug te betalen.

  • 3.

    Wanneer terugbetaling van de vordering binnen zes weken niet mogelijk is, kan met belanghebbende een betalingsregeling worden afgesproken.

  • 4.

    Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen voor zover de belanghebbende beschikt over middelen die, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde kunnen worden gemaakt. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34, derde lid, Participatiewet is niet van toepassing.

  • 5.

    Wanneer belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen dan wel uitvoeren van een betalingsregeling, dan legt het college executoriaal beslag, waaronder loonbeslag. Hierbij wordt de beslagvrije voet gehanteerd.

  • 6.

    Bij het bepalen van het inkomen is artikel 31, tweede lid, Participatiewet van toepassing. In aanvulling op artikel 31, tweede lid, Participatiewet wordt ook een verstrekte individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 Participatiewet niet tot de middelen van belanghebbende gerekend.

  • 7.

    Het college kan van (verdere) invordering afzien als het in te vorderen bedrag minder dan € 100,00 bedraagt, terwijl verrekening met de uitkering of het gereserveerde vakantiegeld niet (meer) mogelijk is.

Artikel 8: Betalingsregeling

  • 1.

    Een betalingsregeling houdt in een afspraak tussen het college en de belanghebbende over een betaling ter voldoening van een vordering, in beginsel via periodieke, meestal maandelijkse termijnbedragen. Uit deze betalingsregeling volgt de aflossingsverplichting.

  • 2.

    Indien de belanghebbende de vordering niet ineens kan voldoen wordt een betalingsregeling getroffen. De regeling komt tot stand:

    • a.

      In onderling overleg tussen de gemeente en de belanghebbende (minnelijke regeling).

    • b.

      Na een onderzoek naar en op basis van de draagkracht voor de terugbetaling.

  • 3.

    Indien de belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan een minnelijke regeling of het onderzoek naar zijn draagkracht, bepaalt het college de betalingsregeling naar eigen goeddunken.

Artikel 9: Invorderingskosten

  • 1.

    Als het college zelf vereenvoudigd derdenbeslag legt, dan worden de kosten van dwanginvorderingen vastgesteld op 15% van het openstaande saldo, met een maximum van € 750,- en een minimum van € 37,50,-.

  • 2.

    Als op een later moment opnieuw een vordering ontstaat als gevolg waarvan het college wederom vereenvoudigd derdenbeslag moet leggen, dan is het eerste lid opnieuw van toepassing.

  • 3.

    Als de vordering wordt overgedragen aan een derde, dan worden de door deze derde te maken kosten en rente doorberekend aan de debiteur.

  • 4.

    Als bij aanvang van de vordering duidelijk is dat deze overgedragen moet worden aan een deurwaarder (bijvoorbeeld bij een zelfstandig ondernemer), dan worden de 15% kosten voor incasso niet opgevoerd.

  • 5.

    Als verrekend kan worden met de bijstandsuitkering, dan worden geen invorderingskosten in rekening gebracht.

Artikel 10: Paspoortsignalering

Als een persoon met een vordering of een boete van meer dan € 5.000 nalatig is in het nakomen van zijn betalingsverplichting en het gegronde vermoeden bestaat dat hij in het buitenland woonachtig is, wordt een verzoek tot opneming in het Register Paspoortsignalering ingediend bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten op grond van artikel 22 van de Paspoortwet.

Artikel 11: Kwijtschelden bij een schuldregeling

  • 1.

    In het kader van medewerking aan een schuldregeling vanwege problematische schulden, ziet het college af van verdere terugvordering als de vordering niet het gevolg is van het opzettelijk niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd dan wel aangifte is gedaan op grond van het Wetboek van Strafrecht en:

    • a.

      redelijkerwijs te voorzien is dat belanghebbende niet zal kunnen doorgaan met het betalen van zijn schulden; en

    • b.

      het besluit om van verdere terugvordering af te zien noodzakelijk is om een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen tot stand te brengen; en

    • c.

      de vordering minstens zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt.

  • 3.

    Het besluit om op grond van het eerste lid van verdere terugvordering af te zien, treedt niet in werking voordat de schuldregeling tot stand is gekomen.

  • 4.

    Het besluit om op grond van het eerste lid van verdere terugvordering af te zien, wordt herzien of ingetrokken als:

    • a.

      de schuldregeling niet tot stand komt binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekendgemaakt; of

    • b.

      belanghebbende de vordering van het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

    • c.

      de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de juiste gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid.

Artikel 12: Ambtshalve kwijtschelden vordering

  • 1.

    Het college ziet op grond van artikel 58 Participatiewet dan wel op grond van artikel 25 IOAW/IOAZ af van verdere invordering als de vordering niet het gevolg is van het opzettelijk niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting, belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat deze nog gaan worden verricht.

  • 2.

    Wanneer bij belanghebbende van verdere invordering als bedoeld in het eerste lid wordt afgezien, houdt het college de mogelijkheid in te vorderen van de persoon die op grond van artikel 59 Participatiewet dan wel artikel 26 IOAW/IOAZ mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de kosten van bijstand, ook als zij op dat moment niet meer gehuwd zijn.

Artikel 13: Op verzoek van belanghebbende kwijtschelden van de vordering

  • 1.

    Het college ziet op grond van artikel 58 Participatiewet dan wel op grond van artikel 25 IOAW/IOAZ af van verdere invordering als de vordering niet het gevolg is van het opzettelijk niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting en:

    • a.

      belanghebbende een verzoek om kwijtschelding doet nadat belanghebbende gedurende vijf jaar volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan; of

    • b.

      belanghebbende een verzoek om kwijtschelding doet nadat belanghebbende in één keer een bedrag overeenkomend met 50% van de restantvordering heeft afgelost.

  • 2.

    Wanneer bij belanghebbende van verdere invordering als bedoeld in het eerste lid wordt afgezien, houdt het college de mogelijkheid om in te vorderen van de persoon die op grond van artikel 59 Participatiewet dan wel artikel 26 IOAW/IOAZ mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de kosten van bijstand, ook als zij op dat moment niet meer gehuwd zijn.

Artikel 14: Kwijtschelding niet mogelijk

Afzien van invordering is niet mogelijk als:

  • a.

    de vordering wordt gedekt door pand of hypotheek op een goed of goederen; of

  • b.

    voor inning van de vordering dwangincasso heeft plaatsgevonden; of

  • c.

    de vordering het gevolg is van een boete die is opgelegd wegens het opzettelijk schenden van de inlichtingenplicht.

HOOFDSTUK 4: VERHAAL

Artikel 15: Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

  • 1.

    Het college verhaalt de kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot maximaal de totale kosten van bijstand:

    • a.

      op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot en/of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt;

    • b.

      op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed niet of niet behoorlijk nakomt;

    • c.

      op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 395a van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie bijstand is verleend;

    • d.

      bij een schenking aan een derde door de belanghebbende, tenzij aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van de bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien;

    • e.

      ingeval er een vordering is die valt in een nalatenschap tenzij er sprake is van minderjarige en/of studerende kinderen. Voor hen stellen we deze buiten invordering;

    • f.

      bij het ontstaan van een vordering wegens toepassing van de Wet op de Lijkbezorging.

  • 2.

    Buiten de gevallen aangegeven in deze beleidsregels vindt geen verhaal plaats.

Artikel 16: Samenloop met terugvordering

  • 1.

    Bij samenloop van de mogelijkheid de bijstand van bijstandsgerechtigde terug te vorderen en de mogelijkheid van verhaal op derden, heeft terugvordering voorrang.

  • 2.

    Als tot terugvordering wordt besloten moeten de betaalde verhaalsbijdragen met betrekking tot de periode waarin de verstrekte bijstand volledig wordt teruggevorderd, terugbetaald worden aan degene op wie verhaald is. Geen terugbetaling vindt plaats als verrekening mogelijk is met de nog resterende verhaalsvordering of toekomstige verhaalstermijnen.

Artikel 17: Afzien van verhaal

  • 1.

    Bij het nemen van een besluit om geheel of gedeeltelijk af te zien van verhaal vindt een evenredige belangenafweging als bedoeld in 3:4 Awb plaats. Dit betekent dat de gevolgen voor belanghebbende(n) niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel van het besluit.

  • 2.

    Indien wordt ingeschat dat eventuele nadelige gevolgen voor belanghebbende, zoals bedoeld in het eerste lid, onevenredig zijn in verhouding tot het doel van het besluit, maar dat deze nadelige gevolgen slechts van tijdelijke aard zijn, wordt gedurende een afkoelingsperiode van drie maanden afgezien van verhaal, waarna middels een heronderzoek bezien wordt of er kan worden overgegaan tot verhaal.

  • 3.

    Wanneer er sprake is van opname in een blijf-van-mijn-lijfhuis onder geheimhouding worden dringende redenen aangenomen op grond waarvan kan worden afgezien van verhaal.

  • 4.

    Indien uit vooronderzoek blijkt dat de onderhoudsplichtige op wie verhaald wordt over onvoldoende middelen beschikt om een verhaalsbijdrage op te kunnen leggen, wordt afgezien van verhaal in verband met het ontbreken van draagkracht. Als wordt ingeschat dat het om een tijdelijke situatie gaat, dan wordt tijdelijk afgezien van verhaal en kan middels een heronderzoek bezien worden of alsnog tot verhaal kan worden overgegaan.

  • 5.

    Indien de onderhoudsplichtige een buitenlandse nationaliteit heeft en langdurig buiten Nederland woont, dan wordt afgezien van verhaal.

  • 6.

    Wanneer er sprake is van een gering te verhalen bedrag of geringe periode wordt in de individuele situatie beoordeeld of verhalen wenselijk is. Er wordt in ieder geval afgezien van het opleggen van een onderhoudsbijdrage als het bedrag lager is dan € 25 per maand voor 1 kind of € 50 per maand voor 2 of meer kinderen.

  • 7.

    Het college start geen onderzoek naar de onderhoudsbijdrage in de volgende situaties:

    • a.

      als het jongste kind 17 jaar is;

    • b.

      als de onderhoudsgerechtigde binnen zes maanden de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt;

    • c.

      als een jong-meerderjarige binnen zes maanden 21 jaar wordt.

Artikel 18: Vaststelling verhaalsbijdrage

  • 1.

    Het college verhaalt de kosten van de bijstand op de onderhoudsplichtige overeenkomstig de rechterlijke uitspraak als bedoeld in artikel 62b Participatiewet als de onderhoudsplichtige niet aan de uitvoerbare rechterlijke uitspraak voldoet en overdracht naar het LBIO niet meer mogelijk is.

  • 2.

    Bij het ontbreken van een uitvoerbare rechterlijke uitspraak wordt de verhaalsbijdrage vastgesteld aan de hand van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde (en, indien daarvan sprake, van de ten laste komende kinderen), waarbij de laagste van deze twee bedragen leidend is.

  • 3.

    Het college stelt de draagkracht van de onderhoudsplichtige vast conform de zogeheten TREMA-normen, zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor Rechterlijke Macht.

  • 4.

    De onderhoudsplichtige wordt aangeschreven om bewijsstukken aan te leveren. Wanneer er geen bewijsstukken worden aangeleverd, wordt gebruik gemaakt van de gegevens zoals opgenomen in Suwinet.

  • 5.

    Eerdere afspraken die zijn gemaakt tussen de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtigen - zoals een convenant - hoeven door het college niet te worden meegewogen in het besluit.

  • 6.

    Wanneer in het geheel geen inkomsten van onderhoudsplichtige bekend zijn, wordt ambtshalve de maandelijks aan onderhoudsgerechtigde verstrekte netto bijstand als verhaalsbijdrage opgelegd.

  • 7.

    Een opgelegde verhaalsbijdrage gaat in per datum eerste aanschrijving.

Artikel 19: Debiteuren- heronderzoek verhaal

  • 1.

    De volgende termijnen gelden voor het starten van een heronderzoek verhaal:

    • a.

      Als op voorhand duidelijk is dat de onderhoudsplichtige geen draagkracht heeft, dan wordt er na 1 jaar een heronderzoek opgestart.

    • b.

      Als de onderhoudsplichtige gegevens heeft ingeleverd en uit berekening blijkt dat er geen draagkracht is, dan wordt er na 2 jaar een heronderzoek opgestart.

    • c.

      Als de onderhoudsplichtige gegevens heeft ingeleverd en er wordt een bijdrage opgelegd, dan wordt er na 4 jaar een heronderzoek opgestart.

    • d.

      Wanneer kan worden aangenomen dat de omstandigheden van de onderhoudsplichtige op korte termijn wijzigen of reeds gewijzigd zijn, wordt er een heronderzoek opgestart.

  • 2.

    Indien de onderhoudsplichtige daartoe aanleiding ziet vanwege gewijzigde omstandigheden, dan kan deze verzoeken om een heronderzoek aangaande zijn of haar financiële draagkracht.

  • 3.

    Deze omstandigheden zoals bedoeld in lid 1 sub d en 2 dienen van wezenlijke invloed te zijn op de reeds opgelegde verhaalsbijdrage, in de zin dat er een aanwijzing moet zijn dat de onderhoudsbijdrage per maand omhoog of omlaag zou moeten worden bijgesteld.

  • 4.

    Is er een alimentatievonnis, waarin de onderhoudsverplichting is opgenomen, dan wordt in geval van:

    • a.

      het aantoonbaar ontbreken van draagkracht de bijdrage herzien;

    • b.

      een aantoonbare draagkracht een herbeoordeling van de rechter gevraagd. De onderhoudsplichtige dient de rechter te verzoeken het vonnis te wijzigen.

HOOFDSTUK 5: SLOTBEPALINGEN

Artikel 20: Overgangsregeling

Belanghebbende die bij inwerkingtreding van deze beleidsregels reeds voldoen aan de voorwaarden voor kwijtschelding, kunnen direct een verzoek om kwijtschelding indienen. Er vind in dit geval geen restitutie van reeds betaalde aflossingsbedragen plaats. Er kan geen kwijtschelding met terugwerkende kracht worden verleend.

Artikel 21: Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 22: Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels terugvordering, invordering en verhaal 2026 gemeente Hilvarenbeek’.

Artikel 23: Intrekking

Deze beleidsregels komen in de plaats van de bepalingen van Hoofdstuk 5 van de Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ, Bbz 2015.

Artikel 24: Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking de dag na publicatie.

TOELICHTING

In 2015 zijn de Verzamelbeleidsregels P-wet, IOAW, IOAZ en Bbz 2015 vastgesteld. Deze verzamelbeleidsregels bundelden het gemeentelijk beleid op een aantal gebieden van Werk en Inkomen. Omdat de verzamelbeleidsregels door onder andere nieuwe wetgeving (Wet breed offensief, Participatiewet in Balans) en recente rechtspraak verouderd waren, hebben we ze geactualiseerd. Daarbij hebben we de verzamelbeleidsregels ook op onderwerp uit elkaar getrokken. Dat is duidelijker voor zowel onze inwoners als de uitvoering.

Deze beleidsregels gaan over terugvordering, invordering en verhaal van de bijstandsuitkering. Dat betekent dat hierin regels zijn opgenomen over hoe het college gebruikmaakt van de bevoegdheid om de kosten van bijstand terug te vorderen, in te vorderen of te verhalen.

 

Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.

 

Artikel 2: Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

Terugvordering is als uitgangspunt verplicht wanneer als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting te veel uitkering is ontvangen. Het toetsingsverbod uit artikel 120 Grondwet maakt dat dergelijke bepalingen niet getoetst kunnen worden aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Dit kan anders zijn als er sprake is van door de wetgever niet verdisconteerde omstandigheden. Het gaat dan om specifieke omstandigheden die niet naar behoren in het wetgevend proces aan de orde zijn gekomen. Dit is zelden het geval. Dit betekent dat er weinig ruimte is om, in het geval er te veel uitkering is verstrekt omdat de inlichtingenplicht niet is nagekomen, persoonlijke omstandigheden en bijzondere situaties van betrokkene mee te wegen.

 

Van een terugvordering of een boete kan wel geheel of gedeeltelijk worden afgezien als er sprake is van dringende redenen. Het begrip dringende redenen werd tot voor kort heel beperkt uitgelegd in de rechtspraak en uitvoeringspraktijk. Dringende redenen kunnen bestaan als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Hierdoor kunnen inwoners feitelijk zelden een geslaagd beroep doen op dringende redenen.

 

Inmiddels is de invulling van het begrip dringende redenen in de rechtspraak veranderd. Die gewijzigde inzichten worden nu ook in de wet verankerd, zodat duidelijk is dat er altijd getoetst moet worden aan het evenredigheidsbeginsel wanneer een beroep op dringende redenen wordt gedaan.

 

Door de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) is in de uitspraak van 2 februari 2022 een kader geschetst voor de toets aan evenredigheid. De evenredigheid van een besluit wordt beoordeeld aan de hand van 3 beoordelingspunten:

 

  • 1.

    Is het besluit geschikt om het doel dat de gemeente voor ogen heeft te bereiken?

  • 2.

    Is het besluit noodzakelijk om dit doel te bereiken of kan dit ook met een minder ingrijpende maatregel?

  • 3.

    Is het besluit dat op zich geschikt en noodzakelijk is, ook in dit specifieke geval evenredig?

De intensiteit van de toets aan evenredigheid is afhankelijk van verschillende factoren en zal dus van geval tot geval anders zijn. De intensiteit van de toetsing wordt bepaald door onder meer:

 

  • het type besluit;

  • de aard en de mate van beleidsruimte van het bestuursorgaan;

  • de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen;

  • de aard van de betrokken belangen;

  • de mate waarin deze door het besluit worden geraakt.

Naarmate deze belangen zwaarder wegen, de gevolgen van het besluit ernstiger zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op de fundamentele rechten, zal de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel intensiever zijn. Deze wijze van toetsen is overgenomen in latere uitspraken door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en daarmee ook relevant voor gemeenten bij het uitvoeren van de Participatiewet.

 

Artikel 3: Zes-maandenjurisprudentie

Het college mag geen uitkering terugvorderen als de terugvordering gaat over bedragen die zijn betaald meer dan zes maanden na de ontvangst van een signaal van de uitkeringsgerechtigde. Het college had dan wel uit dit signaal moeten kunnen afleiden dat zij te veel of ten onrechte uitkering aan het verstrekken was. Dit wordt de zes-maandenjurisprudentie genoemd. De zes-maandenjurisprudentie geldt niet als belanghebbende de inlichtingenplicht heeft geschonden.

 

Artikel 4: Terugvordering loonbelasting en premies (brutering)

Als een vordering niet tijdig wordt betaald, kan de vordering worden verhoogd met de op de terugvordering betrekking hebbende kosten. Loonbelasting en de premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, kunnen van belanghebbende worden teruggevorderd. Dit heet ‘brutering’ en is opgenomen in artikel 58, lid 5, van de Participatiewet. Het bedrag van de brutering kan niet eerder worden berekend dan na het einde van het lopende kalenderjaar.

 

Dit artikel regelt in welke gevallen de uitkering niet bruto maar netto wordt teruggevorderd. De uitkering wordt netto teruggevorderd als de ten onrechte betaalde belastingen en premies nog kunnen worden verrekend met de afdrachten aan de Belastingdienst en het UWV. Het afdragen van loonbelasting gebeurt op voorschotbasis per kwartaal. De definitieve afdrachten vinden plaats als het loonbelastingjaar (kalenderjaar) is afgerond. Zolang de definitieve afdrachten nog niet hebben plaatsgevonden, kan er verrekening plaatsvinden. Uit artikel 58, lid 5, Participatiewet volgt dat het college, indien mogelijk, verplicht is gebruik te maken van de mogelijkheid tot verrekening. Naar vaste rechtspraak moet worden afgezien van brutering, als sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van een betrokkene en waarbij hem niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft. De belanghebbende kan voor teruggave van de door bruto terugvordering te veel betaalde loonheffing en premies een verzoek indienen bij de Belastingdienst. Een dergelijk verzoek kan pas gehonoreerd worden voor zover de belanghebbende ook daadwerkelijk zijn terugvorderingsschuld aan de gemeente heeft voldaan.

 

Artikel 5: Afzien van het nemen van een besluit tot terugvordering

Een terugvorderingsbesluit wordt achterwege gelaten wanneer het terug te vorderen bedrag minder is dan €100. Het doel hiervan is om te voorkomen dat een klein bedrag teruggevorderd wordt als de belanghebbende geen schuld heeft aan de situatie. Terugvordering van dergelijke kleine bedragen zou onredelijk en onnodig belastend zijn voor de belanghebbende

 

Er kan ook afgezien worden van een terugvorderingsbesluit wanneer er dringende redenen zijn. Bij het beoordelen van dringende redenen wordt altijd getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel zorgt ervoor dat de gevolgen van terugvordering niet onevenredig zwaar zijn in verhouding tot het doel van de terugvordering of boete. Zie hiervoor ook de toelichting bij artikel 2.

 

Als blijkt dat de belanghebbende onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, waardoor het college oorspronkelijk afzag van terugvordering, kan het college alsnog overgaan tot terugvordering. Dit geldt wanneer de verstrekte informatie zodanig was dat een ander besluit genomen had moeten worden. Dit artikel waarborgt dat het college niet ten onrechte afziet van terugvordering op basis van onjuiste gegevens en zorgt ervoor dat de bijstand rechtmatig wordt verstrekt en teruggevorderd indien nodig.

 

Artikel 6: Volgorde van invordering

In gevallen waarbij de belanghebbende meerdere vorderingen heeft bij de gemeente, is het van belang dat de volgorde van de invordering duidelijk wordt vastgesteld. Hoewel artikel 4:92, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de belanghebbende zelf kan aangeven op welke vordering een betaling moet worden toegerekend, regelt de Participatiewet zelf niets over de volgorde van invordering van vorderingen en/of boetes. Om deze leemte te vullen, is dit beleidsartikel opgenomen.

 

In het eerste lid wordt bepaald dat betalingen of verrekeningen eerst in mindering worden gebracht op de oudste vordering, tenzij er een nieuwe vordering is die betrekking heeft op een belaste uitkering in het lopende kalenderjaar, of tenzij de belanghebbende op grond van artikel 4:92, tweede lid, Awb een andere vordering aanwijst waaraan de betaling moet worden toegerekend. Dit biedt de mogelijkheid voor de belanghebbende om de betaling zelf te sturen, maar waar geen expliciete aanwijzing is, wordt de oudste vordering als uitgangspunt genomen. Daarnaast wordt in het eerste lid recht gedaan aan het zogenaamde lik-op-stukbeleid dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voorstaat bij de invordering van boetes. Dit beleid houdt in dat boetes bij voorrang moeten worden geïnd. Boetes zijn immers concurrente vorderingen, wat betekent dat ze gelijk staan aan andere schulden van de betrokkene en niet per se voorrang hebben boven andere schulden in geval van beslaglegging door een schuldeiser.

 

Het tweede lid voorziet in uitzonderingen om ongewenste effecten te voorkomen. Het geeft aan dat de invordering van een bestuurlijke boete bij voorrang plaatsvindt, tenzij er beslag is gelegd door een derde schuldeiser. In dat geval heeft de bijstandsvordering van de gemeente voorrang. Dit wordt geregeld onder artikel 6, lid 2, onder a. Bij beslaglegging door een preferente schuldeiser, zoals de belastingdienst, zal de invordering van de bijstandsvordering eerst plaatsvinden, zodat ten minste een deel van de aflossingsruimte naar de gemeente gaat.

 

Een ander ongewenst effect kan ontstaan wanneer de bijstandsvordering niet volledig binnen het kalenderjaar kan worden afgelost vanwege de voorrang van de boete. Dit kan ertoe leiden dat de vordering moet worden gebruteerd, wat betekent dat de schuldenlast voor de betrokkene onterecht zou toenemen. Om dit te voorkomen, wordt in het tweede lid, onder b, expliciet opgenomen dat de gemeente bij het aflossen eerst de openstaande bijstandsvordering invordert, zodat brutering van de vordering wordt voorkomen en de schuld van de betrokkene niet onnodig wordt vergroot.

 

Artikel 7: Mogelijkheden van invordering

Het uitgangspunt bij de invordering van een vordering is dat deze, voor zover mogelijk, wordt verrekend met de uitkering van de belanghebbende, zoals geregeld in artikel 60, derde en vierde lid van de Participatiewet en artikel 28, derde en vierde lid van de IOAW/IOAZ.

 

Indien er geen lopende uitkering is of verrekening met een lopende uitkering niet mogelijk is dan krijgt de belanghebbende de gelegenheid om de vordering binnen zes weken in één keer terug te betalen, voor zover dit mogelijk is.

 

Indien terugbetaling van de vordering binnen zes weken niet mogelijk blijkt, wordt de mogelijkheid geboden om een betalingsregeling te treffen. Het doel hiervan is om de vordering op een gespreide en haalbare wijze af te lossen, zodat de belanghebbende niet in financiële problemen komt door de volledige betaling ineens te moeten doen. Dit biedt zowel het college als de belanghebbende een flexibele oplossing, gericht op een realistische aflossing.

 

Een verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen als de belanghebbende beschikt over middelen die, gelet op de omstandigheden, redelijkerwijs te gelde kunnen worden gemaakt. De vermogensvrijlating als bedoeld in artikel 34, derde lid, Participatiewet is in dit geval niet van toepassing. Het college houdt dus rekening houden met het volledige vermogen van belanghebbende bij de beslissing om wel of niet een betalingsregeling te treffen en/of het vaststellen van de hoogte van de aflossingsverplichting.

 

Als de belanghebbende niet meewerkt aan het opstellen of uitvoeren van een betalingsregeling, kan het college executoriaal beslag leggen. Dit kan bijvoorbeeld leiden tot loonbeslag. Hierbij wordt de beslagvrije voet gehanteerd, zodat de betrokkene altijd genoeg inkomen overhoudt om in de eigen basisbehoeften te kunnen voorzien. Het doel van deze maatregel is om te zorgen dat de vordering uiteindelijk wordt voldaan, ook als de belanghebbende weigert samen te werken.

 

Bij het bepalen van het inkomen van de belanghebbende wordt artikel 31, tweede lid, Participatiewet toegepast. In aanvulling op dit artikel wordt ook de individuele inkomenstoeslag die op grond van artikel 36 Participatiewet is verstrekt, niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend. Dit voorkomt dat een uitkering die bedoeld is als een extra sociale voorziening voor lagere inkomens, in mindering wordt gebracht op het inkomen bij de invordering.

 

Het college kan besluiten om af te zien van verdere invordering als het in te vorderen bedrag minder dan €100 bedraagt en verrekening met de uitkering of het gereserveerde vakantiegeld niet (meer) mogelijk is. Het doel van deze bepaling is om te voorkomen dat er onredelijke administratieve lasten ontstaan voor zowel het college als de belanghebbende bij het innen van een klein bedrag.

 

Artikel 8: Betalingsregeling

Een betalingsregeling is een afspraak tussen het college en de belanghebbende over het aflossen van een vordering. Dit maakt het voor de belanghebbende mogelijk om de vordering in gespreide termijnen terug te betalen, in plaats van in één keer. Het doel van de regeling is om de belanghebbende financieel in staat te stellen zijn of haar schulden te voldoen zonder in financiële problemen te komen. De aflossingsverplichting die uit de regeling voortvloeit, is bindend voor de belanghebbende.

 

Wanneer de belanghebbende de vordering niet in één keer kan betalen, wordt er een betalingsregeling getroffen. Dit gebeurt altijd in overleg en is bedoeld om de terugbetaling haalbaar te maken. De regeling komt tot stand op basis van twee factoren:

 

  • Onderling overleg: het college en de belanghebbende komen gezamenlijk tot afspraken over de hoogte van de maandlasten. Dit bevordert een minnelijke regeling, waarbij beide partijen samen zoeken naar een oplossing.

  • Onderzoek naar draagkracht: bij het treffen van een betalingsregeling wordt gekeken naar de draagkracht van de belanghebbende. Dit houdt in dat het college onderzoekt of de betrokkene in staat is om de vordering terug te betalen zonder dat dit leidt tot onaanvaardbare financiële gevolgen. De draagkracht wordt bepaald op basis van het inkomen, vermogen en levensomstandigheden van de belanghebbende. De betalingsregeling moet zo worden vastgesteld dat het financieel haalbaar is voor de belanghebbende, rekening houdend met zijn of haar verplichtingen.

Indien de belanghebbende niet of onvoldoende meewerkt aan het treffen van een minnelijke regeling of het verstrekken van informatie over zijn draagkracht, kan het college de betalingsregeling eenzijdig vaststellen. In dat geval bepaalt het college de voorwaarden van de regeling naar eigen inzicht. Dit betekent dat de gemeente zelf de hoogte van de termijnbedragen en de looptijd van de regeling vaststelt, zonder verdere instemming van de belanghebbende, maar wel rekening houdend met de gegevens die voor zover bekend zijn.

 

Artikel 9: Invorderingskosten

Op grond van artikel 4:120 Awb is het mogelijk om de kosten van een dwangbevel en de tenuitvoerlegging daarvan in rekening te brengen bij de belanghebbende. Daarnaast heeft het college op basis van artikel 58, vijfde lid, Participatiewet de bevoegdheid om bij niet-tijdige betaling de vordering te verhogen met de kosten die betrekking hebben op de terugvordering.

Invorderingskosten moeten, zoals gebruikelijk in het reguliere betalingsverkeer, voor rekening van de onwillige debiteur komen. Het is onweerlegbaar dat een onwillige debiteur extra werk en administratieve handelingen voor het college met zich meebrengt, wat leidt tot extra kosten in de uitvoering van het incassotraject.

In de incassopraktijk wordt vaak gewerkt met een forfaitair percentage van meestal 15% van de hoofdsom als invorderingskosten. Het is voor het college redelijk om de kosten van invordering vast te stellen op 15% van de resterende vordering (exclusief rente), met daarbij een vastgesteld minimum en maximum bedrag voor de kosten. Dit zorgt voor een transparante en voorspelbare regeling voor zowel het college als de debiteur.

Indien de debiteur meerdere vorderingen onbetaald laat, kunnen op elke afzonderlijke vordering de invorderingskosten in rekening worden gebracht. Dit betekent dat de kosten per vordering worden berekend, wat in lijn is met de incassopraktijken die gebruik maken van een dergelijke forfaitaire regeling.

 

Artikel 10: Paspoortsignalering

Als een persoon met een vordering of een boete van meer dan € 5.000 nalatig is in het nakomen van zijn betalingsverplichting en het gegronde vermoeden bestaat dat hij in het buitenland woonachtig is, wordt een verzoek tot opneming in het Register Paspoortsignalering ingediend bij het agentschap Basisadministratie Persoonsgegevens en Reisdocumenten op grond van artikel 22 van de Paspoortwet.

 

Het Register Paspoortsignaleringen is een registratie van personen aan wie een paspoort geweigerd kan worden of van wie een paspoort vervallen kan worden verklaard. Een aantal bevoegde instanties kan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzoeken om een persoon in dit register op te nemen.

 

In de artikelen 18 tot en met 24 van de Paspoortwet zijn alle gronden voor opname in het Register Paspoortsignaleringen opgesomd. De in de wet genoemde gronden hebben tot doel een fundamenteel belang van de samenleving te beschermen. Artikel 22 van de Paspoortwet gaat over het signaleren van personen die zijn/haar betalingsverplichting aan de Belastingdienst, Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO), het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (LBIO) of een (gemeentelijke) sociale dienst niet nakomen en bij wie het gegronde vermoeden bestaat dat de persoon in kwestie zich door verblijf in het buitenland aan de wettelijke mogelijkheden tot invordering zal onttrekken.

 

Artikel 11: Kwijtschelden bij een schuldregeling

Met de inwerkingtreding van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening heeft het college een wettelijke taak gekregen op het gebied van schuldhulpverlening gekregen. Deze taak is verder gepreciseerd in het meerjarenplan schuldhulpverlening 2025-2028, waarin het college zich committeert aan preventie, het helpen van inwoners met schulden en het voorkomen dat ze opnieuw in financiële problemen komen.

 

In lijn met de doelstellingen van het meerjarenplan, biedt het college ruimte voor schuldhulpverlening wanneer er sprake is van problematische schulden. Hierbij kan het college besluiten af te zien van verdere terugvordering van vorderingen als belanghebbenden zich actief inzetten voor een schuldregeling.

Afzien van terugvordering is mogelijk wanneer de vordering niet het gevolg is van het opzettelijk niet nakomen van de inlichtingenverplichting, en wanneer er geen bestuurlijke boete is opgelegd vanwege het opzettelijk of met grove schuld schenden van de inlichtingenverplichting of aangifte is gedaan op basis van het Wetboek van Strafrecht. Deze vorderingen zijn uitgezonderd voor kwijtschelding. Verder geldt dat vorderingen die gedekt zijn door pand of hypotheek niet voor kwijtschelding in aanmerking komen, omdat deze vorderingen voorzien zijn van zekerheden.

 

Het besluit om af te zien van terugvordering wordt voorwaardelijk genomen en treedt pas in werking nadat de schuldregeling daadwerkelijk is opgezet. Dit besluit kan worden herzien of ingetrokken als de regeling niet binnen 12 maanden tot stand komt, als de belanghebbende zich niet aan de afspraken houdt, of als onjuiste of onvolledige informatie is verstrekt.

 

Artikel 12: Ambtshalve kwijtschelden vordering

Dit artikel beoogt situaties waarin het college de invordering ambtshalve kan beëindigen, zonder dat de belanghebbende zelf een verzoek hoeft in te dienen.

 

De voorwaarden voor afzien van invordering:

Het college kan besluiten om de vordering niet verder in te vorderen als:

  • 1.

    de vordering niet het gevolg is van opzettelijk of vanwege grove schuld niet nakomen van de inlichtingenverplichting: Dit betekent dat de belanghebbende niet opzettelijk of door grove nalatigheid verkeerde informatie heeft verstrekt of geen juiste informatie heeft verstrekt; en

  • 2.

    de belanghebbende gedurende vijf jaar geen betalingen heeft verricht: Wanneer de belanghebbende gedurende een lange periode (vijf jaar) geen betalingen heeft gedaan, is het onwaarschijnlijk dat de vordering op korte termijn alsnog zal worden voldaan; en

  • 3.

    het niet aannemelijk is dat er in de toekomst alsnog betalingen zullen worden verricht: Als er geen vooruitzichten zijn dat de belanghebbende in staat zal zijn om de vordering af te lossen, kan het college besluiten om de invordering te beëindigen.

Het doel van deze bepaling is om gevallen te voorkomen waarin een vordering onterecht langdurig open blijft staan zonder dat er enige vooruitgang wordt geboekt in de terugbetaling. Dit kan leiden tot onterecht hoge kosten voor het college. In zulke gevallen maakt het college de afweging of het redelijk is om door te gaan met de invordering of dat het beter is om de invordering te beëindigen.

 

Wanneer het college besluit af te zien van verdere invordering bij de belanghebbende, blijft de mogelijkheid open om de invordering voort te zetten tegen een andere persoon die mede-hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de kosten van bijstand. Dit geldt ook wanneer de betrokkenen niet meer gehuwd zijn. De Participatiewet en de IOAW/IOAZ stellen dat een mede-hoofdelijk aansprakelijke persoon (bijvoorbeeld een ex-partner) verantwoordelijk kan worden gehouden voor de vordering, zelfs na beëindiging van de relatie. Dit waarborgt dat de gemeente de volledige vordering kan verhalen op de persoon die juridisch verantwoordelijk blijft voor de terugbetaling.

 

Artikel 13: Op verzoek van belanghebbende kwijtschelden van de vordering

Dit artikel regelt in welke situaties een belanghebbende in aanmerking zou kunnen komen voor een kwijtschelding van de terugvordering en welke termijnen daarvoor gelden. Belanghebbende moet hier zelf een verzoek voor indienen. Als vanwege hoofdelijke aansprakelijkheid meerdere belanghebbenden verantwoordelijk waren voor het terugbetalen van de kosten van bijstand, blijft de mogelijkheid bestaan om van de andere belanghebbende diens deel terug te vorderen als van de ene belanghebbende de terugvordering is kwijtgescholden. Dit geldt ook als zij dan niet meer gehuwd zijn.

 

Artikel 14: Kwijtschelding niet mogelijk

In de situatie waarin de vordering door pand of hypotheek op een goed of goederen wordt gedekt of wanneer voor inning van de vordering dwangincasso heeft plaatsgevonden, is afzien van terugvordering niet mogelijk. Ook wanneer de vordering het gevolg is van een boete die is opgelegd wegens opzettelijke of met grove schuld schenden van de inlichtingenplicht, is afzien van terugvordering niet mogelijk. Als de boete het gevolg is van normale of verminderde verwijtbaarheid, is kwijtschelding wel mogelijk.

 

Artikel 15: Gebruik maken van de wettelijke bevoegdheid

Verhaal betekend een beroep doen op de onderhoudsplicht ten aanzicht van minderjarige kinderen en/of ex-partners. Artikel 61 van de Participatiewet bepaalt dat het college kosten van bijstand kan verhalen in de situaties zoals genoemd in de wet en alleen volgens de regels van de Participatiewet. Het verhalen van kosten van bijstand is een bevoegdheid van het college. In andere gevallen dan in de wet aangegeven is het college niet bevoegd om de bijstand te verhalen. Het is aan het college om beleid te formuleren of en in welke gevallen het gebruik maakt van de bevoegdheid om de kosten van bijstand te verhalen.

 

In dit artikel wordt geregeld dat het college gebruik maakt van de bevoegdheid om bijstand te verhalen en in welke gevallen het college gebruik maakt van deze bevoegdheid. In het derde lid wordt benadrukt dat de bijstand uitsluitend wordt verhaald in de in het tweede lid vastgelegde gevallen.

 

Voor wat betreft de mogelijkheid tot het verhalen van de bijstand is het overigens niet van belang of een echtscheiding al dan niet heeft plaatsgevonden. Ook juist wanneer het huwelijk nog in stand is, kan bijstand worden verhaald. Er is dan sprake van een ontbrekend gezinsverband (verlating). Overigens geldt daarbij nog de wettelijke verplichting, dat echtgenoten voor elkaar moeten zorgen (artikel 1:81 BW e.v.).

 

Wanneer de echtscheiding heeft plaatsgevonden, dus al is ingeschreven in de Registers van de Burgerlijke Stand, dan wordt verder verhaald op grond van sub b. Deze beide bepalingen zijn eveneens van toepassing op verhaal ten behoeve van minderjarige kinderen in het gezin van de bijstandsgerechtigde (sub c).

Bijstandsgerechtigden dienen op een verantwoorde wijze met hun vermogen om te gaan. Het schenken of weggeven van (een deel van) het vermogen wordt als onverantwoord beschouwd, wanneer de belanghebbende op het moment van de schenking wist of had kunnen weten, dat hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden zou gaan verkeren. Hierbij is ook van belang of met dat geschonken vermogen rekening zou zijn gehouden bij de beoordeling van het recht op bijstand. Wanneer beide vragen bevestigend worden beantwoord, moet de schenking worden verhaald op de ontvangers van de schenking. Overigens gaat het hierbij niet alleen om vermogen in de vorm van geld, maar om alle vermogensbestanddelen, dus bijvoorbeeld ook het schenken van een auto, wanneer met de waarde van deze auto rekening had moeten worden gehouden.

 

Ten aanzien van de hoogte van het te verhalen bedrag wordt aansluiting gezocht bij de bepalingen en richtlijnen binnen de Participatiewet inzake het vermogen. Dit betekent in de eerste plaats, dat alleen wordt verhaald, wanneer het vermogensbestanddelen betreft zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet. Verder wordt rekening gehouden met het vrij te laten vermogen, dat voor de aanvrager van toepassing is. Het meerdere boven het vrij te laten vermogen komt voor verhaal in aanmerking.

 

Bijstandsvorderingen komen niet automatisch te vervallen bij het overlijden van de belanghebbende. De vordering gaat over op de erfgenamen. Wanneer er sprake is van minderjarige en/of studerende kinderen stellen we deze voor hen buiten invordering.

 

Artikel 16: Samenloop met terugvordering

Als de uitkering ten onrechte is verstrekt, dan wordt deze teruggevorderd van de uitkeringsgerechtigde en vindt er geen verhaal (meer) plaats. Als er al wel kosten van bijstand zijn verhaald en het college heeft van de onderhoudsplichtige verhaalsbijdragen ontvangen, dan worden deze terugbetaald aan de onderhoudsplichtige en wordt de vordering op de uitkeringsgerechtigde lager.

 

Artikel 17: Afzien van verhaal

De gemeente kan geheel of gedeeltelijk van verhaal afzien als uit een evenredige belangenafweging blijkt dat de gevolgen voor de inwoner onevenredig zijn in verhouding tot het wél overgaan van verhaal (evenredigheidsbeginsel). Hiervoor moeten 3 vragen worden beantwoord aan de hand waarvan het besluit om wel of niet over te gaan tot verhaal wordt genomen.

Die vragen zijn:

 

  • 1.

    Is het besluit geschikt om het doel dat de gemeente voor ogen heeft te bereiken?

  • 2.

    Is het besluit noodzakelijk om dit doel te bereiken of kan dit ook met een minder ingrijpende maatregel?

  • 3.

    Is het besluit dat op zich geschikt en noodzakelijk is, ok in dit specifieke geval evenredig?

Bij de beoordeling van de laatste vraag moeten de persoonlijke omstandigheden van alle betrokkenen worden gewogen. Hierbij moet worden gekeken naar zowel de omstandigheden van degene op wie verhaal wordt gezocht als naar de omstandigheden van degene die bijstand ontvangt of heeft ontvangen. Bij deze beoordeling moeten niet alleen de financiële omstandigheden worden betrokken, maar ook de niet-financiële. Zo kan het mogelijk zijn dat er door omstandigheden van betrokkene(n) er geen verhaalgrond aanwezig is, bijvoorbeeld vanwege samenwoning van de onderhoudsgerechtigde (hier vindt dan onderzoek naar plaats).

 

Er kan worden afgezien van verhaal indien dat voor de onderhoudsgerechtigde of de onderhoudsplichtige onaanvaardbare consequenties heeft. Er is dan sprake van dringende redenen. Mishandeling en incest kunnen zeer dringende redenen zijn om van verhaal af te zien. Het verblijf in een “Blijf van mijn lijfhuis” of toevluchtsoord levert niet persé een dergelijke dringende reden op. Is er sprake van verblijf in een dergelijke instelling dan dient de procedure wel met de grootste zorgvuldigheid te worden gevoerd.

 

Indien er gronden aanwezig zijn om te veronderstellen dat de dringende redenen tijdelijk van aard zijn, kan worden besloten tot een afkoelingsperiode van 3 maanden. Dit betekent dat gedurende 3 maanden wordt afgezien van verhaal. Na deze 3 maanden dient opnieuw te worden beoordeeld of overgegaan kan worden tot verhaal. Uitzondering hierop is als iemand is opgenomen in een blijf van mijn lijfhuis onder geheimhouding (dit is zichtbaar in BRP of in een schrijven van het blijf-van-mijn-lijfhuis). Dan wordt gedurende de geheimhouding altijd afgezien van verhaal in verband met de veiligheid van alle betrokkenen.

 

In het geval waarin een onderhoudsplichtige over onvoldoende draagkracht beschikt om een verhaalsbijdrage te kunnen leveren en het vermoeden is dat dit tijdelijk van aard is, dan wordt tijdelijk afgezien van verhaal. Middels heronderzoek(en) wordt beoordeeld of er inmiddels wel voldoende draagkracht is om een verhaalsbijdrage te kunnen leveren. Wanneer dit het geval is, wordt alsnog tot verhaal overgegaan.

 

Als de onderhoudsplichtige met een buitenlandse nationaliteit in het buitenland verblijft, kan besloten worden om af te zien van een aanschrijving. Dan kan namelijk de Nederlandse wetgeving niet worden toegepast. Hierop wordt een uitzondering gemaakt als er twijfels bestaan over de daadwerkelijke verblijfplaats of duidelijk is dat sprake is van tijdelijk verblijf in het buitenland. In dat geval wordt een heronderzoeksdatum op 12 maanden gesteld.

 

Sinds 2004 staat het gemeenten weer vrij om af te zien van verhaal als het gaat om kleine bedragen. In deze beleidsregels is bepaald om in ieder geval af te zien van verhaal bij een op te leggen verhaalsbijdrage van € 25 per maand voor 1 kind of € 50 per maand voor 2 of meer kinderen. Daarnaast kan ook bij hogere bedragen in de individuele situatie besloten worden om af te zien van verhaal, als dat nodig is.

 

Daarnaast zijn er situaties denkbaar waarin het onderzoeken van een bijdrage niet wenselijk is, vanuit een kosten-baten analyse: dat is zo wanneer de verhaalsbijdrage maar voor korte tijd geïnd zal kunnen worden. Dit is in ieder geval zo bij kinderen < 18 jaar en wanneer de onderhoudsplichtige bijna de AOW-gerechtigde leeftijd heeft. Dan is het opleggen van de bijdrage niet langer mogelijk en het onderzoeken dus niet effectief.

 

Artikel 18: Vaststelling verhaalsbijdrage

Wanneer een verhaalsbijdrage rechterlijk is vastgesteld en de onderhoudsplichtige blijft in gebreke met het (tijdig) betalen van deze bijdrage, is het LBIO het aangewezen bureau waartoe men zich moet wenden als de verhaalsbijdrage uitblijft. Het LBIO zorgt ervoor dat de verhaalsbijdrage alsnog wordt betaald en neemt zo nodig de incasso over. Het LBIO moet echter binnen een bepaalde tijd na het uitblijven van de verhaalsbijdrage worden ingeschakeld. Wanneer men zich te laat tot het LBIO wendt, kan het LBIO de verhaalsbijdrage niet meer vorderen bij de onderhoudsplichtige. In dat geval verhaalt het college de kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige overeenkomstige de rechterlijke uitspraak over de verhaalsbijdrage. Wanneer een dergelijke rechterlijke uitspraak ontbreekt, moet het college de verhaalsbijdrage vaststellen. Dit doet zij aan de hand van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Het laagste van deze twee bedragen is leidend bij de vaststelling van de verhaalsbijdrage.

 

De regels over het vaststellen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige zijn vastgelegd in de zogeheten TREMA-normen zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor de Rechterlijke Macht. De tremanormen worden regelmatig aangepast. Ook worden de alimentatiebedragen jaarlijks geïndexeerd. De onderhoudsplichtige wordt gevraagd bewijsstukken aan te leveren om de draagkracht vast te kunnen stellen. Wanneer hier geen gehoor aan wordt gegeven, maakt het college gebruik van de gegevens in Suwinet. Wanneer ook hier geen gegevens van de onderhoudsplichtige in bekend zijn, dan worden de volledig verstrekte kosten van bijstand verhaald op de onderhoudsplichtige.

 

Artikel 19: Debiteuren- heronderzoek verhaal

Een heronderzoek moet plaatsvinden wanneer de verwachting aanwezig is dat de (financiële) omstandigheden op korte termijn zullen wijzigen. Deze omstandigheden moeten dan van wezenlijke invloed te zijn op de reeds opgelegde of juist niet opgelegde verhaalsbijdrage. Van wezenlijke invloed wil in dit verband zeggen dat er een aanwijzing moet zijn dat de verhaalsbijdrage per maand omhoog of omlaag zou moeten.

 

In dit artikel staat opgenomen in welke situaties heronderzoeken plaatsvinden.

Is de onderhoudsplichtige van mening dat door een wijziging van omstandigheden de verhaalsbijdrage lager moet zijn, dan kan hij dat op elk moment aangeven en moet er een onderzoek plaats te vinden.