Beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente Hilvarenbeek

woensdag 18 maart 2026
Type bekendmaking: beleidsregel



Beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente Hilvarenbeek

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek;

 

gelet op:

  • de Participatiewet

  • titel 4.3. van de Algemene wet bestuursrecht;

  • artikel 160 lid 1 onder a Gemeentewet;

  • Participatiewet in Balans, spoor 1

overwegende dat:

 

het wenselijk is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot rechten en plichten verbonden aan het ontvangen van een uitkering ingevolge de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Bbz.

 

besluit vast te stellen de Beleidsregels Rechtmatigheid 2026 gemeente Hilvarenbeek.

 

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in:

    • de Particpatiewet;

    • de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

    • de Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2024.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Bbz: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

    • b.

      Bijstandsuitkering: een uitkering voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ.

    • c.

      Commerciële kamerbewoner: een persoon die een kamer huurt op commerciële basis en geen bloedverwant in de eerste of tweede graad is van de hoofdbewoner. Van huren op commerciële basis is sprake indien de woonsituatie voldoet aan de volgende voorwaarden:

      • i.

        er is sprake van huur op contractbasis;

      • ii.

        er is sprake van een commerciële relatie, wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële (huur)prijs;

      • iii.

        het te huren deel van de woning is, al dan niet samen met gemeenschappelijke ruimtes, geschikt voor zelfstandige bewoning; en

      • iv.

        de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres.

    • d.

      Commerciële kostganger: een persoon die op commerciële basis inwoont en geen bloedverwant in de eerste of tweede graad is van de verhuurder en tevens bij de verhuurder de maaltijden gebruikt. De woonsituatie moet voldoen aan het volgende:

      • i.

        er is sprake van vergoeding op contractbasis;

      • ii.

        er is sprake van een commerciële relatie, wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële prijs;

      • iii.

        de woning is geschikt voor inwoning en er is toestemming verleend door de eigenaar van het pand; en

      • iv.

        de kostganger staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het huuradres.

    • e.

      Commerciële prijs: hiervan is sprake als de huur, exclusief onder andere servicekosten, of vergoeding hoger is dan de basishuur zoals gebruikt bij de huurtoeslag.

    • f.

      Gehuwdennorm: de norm zoals bedoeld in artikel 21, onderdeel b, PW;

    • g.

      Co-ouderschap: de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van een minderjarig kind/kinderen. Beide ouders nemen een gelijkwaardig deel van de verzorging en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening.

    • h.

      Gift: een gift zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet.

    • i.

      Hoofdbewoner: een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van een woning en die in dezelfde woning hoofdverblijf heeft.

    • j.

      Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a Pw. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. Personen jonger dan 27 jaar tellen niet mee als kostendeler.

    • k.

      Kwetsbare jongere: persoon jonger dan 27 jaar zoals opgenomen in artikel 41 lid 4 van de wet aangevuld met de jongere die:

      • bekend is of ondersteund wordt door erkende maatschappelijke (zorg) organisaties; of

      • in de afgelopen 12 maanden studietoeslag op grond van artikel 36b Pw heeft ontvangen; of

      • vanwege een andere reden aangemerkt kan worden als kwetsbaar.

    • l.

      Mantelzorg: van mantelzorg is sprake als onbetaalde ondersteuning wordt verleend aan een hulpbehoevende met een aantoonbare zorgbehoefte, waarbij deze zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in het kader van de hulpverlenend beroep.

    • m.

      Particiaptiewet: Pw.

    • n.

      Terugwerkende kracht: een bijstandsuitkering wordt toegekend per datum aanvraag, tenzij er redenen zijn om de uitkering eerder in te laten gaan wegens bijzondere of individuele omstandigheden. Dan kan de uitkering mogelijk eerder worden toegekend.

    • o.

      Vermogen: het totaal aan bezittingen minus schulden zoals bedoeld in artikel 34 Pw.

    • p.

      Vermogensvrijlatingsgrens: het bedrag aan vermogen dat volgens de wet buiten beschouwing blijft.

    • q.

      Woning: een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, Pw;

    • r.

      Woonkosten:

      • i.

        als sprake is van bewoning van een huurwoning: de per maand geldende kale huurprijs, zoals gebruikt voor de huurtoeslag;

      • ii.

        Als sprake is van bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en- aflossing (minus de ontvangen belastingteruggaaf) met inbegrip van eventueel ter zake van de hypotheek verplichte verzekeringen, inleggen of premies en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.

    • s.

      Woonlasten: hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte, waarin de belanghebbende woont zoals energiekosten, water, en dergelijke.

    • t.

      Zorgbehoefte: van een zorgbehoefte zoals bedoeld in lid 2 onder l van dit artikel, is sprake als degene die verzorging nodig heeft door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis:

      • in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting; en/of

      • langdurig is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; en/of

      • langdurig is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.

HOOFDSTUK 2 DE AANVRAAG

Artikel 2 Verkorte aanvraag

  • 1.

    Wanneer iemand na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag doet, dan gebruikt het college de gegevens die reeds bekend zijn in verband met de eerdere bijstandsverlening;

  • 2.

    Het college onderzoekt bij een dergelijke nieuwe aanvraag nog de volgende gegevens:

    • reden aanvraag;

    • bankafschriften i.v.m. het vaststellen van het vermogen;

    • andere relevante informatie die nodig is om het recht op bijstand vast te stellen i.v.m. gewijzigde omstandigheden.

Artikel 3 Bijstand met terugwerkende kracht

  • 1.

    Voor wat betreft de ingangsdatum van zowel de algemene bijstand, als de uitkering op grond van de IOAW of IOAZ hanteert het college de hoofdregel, zoals neergelegd in artikel 44, eerste lid, Pw, respectievelijk artikel 16a, eerste lid, IOAW of IOAZ.

  • 2.

    Afwijking van het bepaalde in het eerste lid is slechts mogelijk als de belanghebbende de te late melding vanwege bijzondere omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten of als de individuele omstandigheden dusdanig van aard zijn dat terugwerkende kracht noodzakelijk is om bestaanszekerheid te borgen.

  • 3.

    Er is sprake van bijzondere omstandigheden als de te late melding de aanvrager niet kan worden verweten. In dat geval kan de uitkering met terugwerkende kracht verleend worden vanaf het moment dat het recht op uitkering ontstond.

  • 4.

    Er is sprake van individuele omstandigheden als:

    • a.

      De belanghebbende zich om gegronde reden niet eerder heeft kunnen melden. Voorbeelden zijn:

      • De belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen.

      • Een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening werd afgewezen.

    • b.

      De belanghebbende geen verwijt treft voor de late melding, en de gevolgen daarvan zijn ernstig. Voorbeelden zijn:

      • Er is sprake van probleemschulden.

      • na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende failliet verklaard;

      • na de melding zijn noodzakelijke voorzieningen zoals woonruimte, zorgverzekering of nutsvoorzieningen afgesloten.

  • 5.

    Bij individuele omstandigheden wordt de uitkering toegekend vanaf de datum waarop het recht is ontstaan, met een maximum van drie maanden vóór de meldingsdatum.

  • 6.

    Het is aan de aanvrager om aan te tonen dat er recht op uitkering bestond over de periode waarop de terugwerkende kracht betrekking heeft, en om de bijzondere of individuele omstandigheden die de te late melding verklaren, te onderbouwen.

  • 7.

    Het college bepaalt of de bijzondere dan wel individuele omstandigheden van zodanige aard zijn dat het noodzakelijk is om de uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen.

Artikel 4 Zoektermijn jongeren

  • 1.

    Voor een jongere tot 27 jaar, niet zijnde kwetsbaar zoals gedefinieerd in artikel 41 lid 4 Pw en artikel 1 lid 2 sub i van deze beleidsregels, die zich heeft gemeld voor een bijstandsuitkering, geldt de eerste vier weken wettelijk de inspanningsverplichting om:

    • a.

      zijn of haar mogelijkheden tot het volgen van onderwijs te onderzoeken en zich voor een opleiding aan te melden, of, de mogelijkheden met betrekking tot arbeid te onderzoeken en te solliciteren naar algemeen geaccepteerde arbeid.

    • b.

      gebruik te maken van de dienstverlening van het Jongerenpunt Midden-Brabant.

  • 2.

    De inspanningsverplichting als genoemd in het eerste lid is niet van toepassing als er zwaarwegende redenen bestaan in de individuele situatie van de jongere, die ertoe leiden dat de jongere niet in staat kan worden geacht aan de inspanningsverplichting te voldoen. Hierbij kan worden gedacht aan:

    • a.

      de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang (Wmo 2015);

    • b.

      de jongere verbleef het afgelopen jaar in een inrichting, opvang (Wmo 2015), pleeghuis of gezinshuis (Jeugdwet);

    • c.

      de jonger viel onder een kinderbeschermingsmaatregel in het afgelopen jaar;

    • d.

      de jongere heeft een zorgbehoefte;

    • e.

      de jongere is niet ingeschreven als ingezetene in de BRP of met een briefadres;

    • f.

      de jongere ontving het afgelopen jaar bijstand;

    • g.

      de jongere heeft probleemschulden of hier kans op als de vierweken zoektermijn wordt toegepast.

HOOFDSTUK 2 VASTSTELLEN RECHT OP BIJSTAND

Artikel 5 Bewijsstukken

  • 1.

    Het college vraagt bij een bijstandsaanvraag alleen die informatie op, waar het college niet zelf uit de systemen kan beschikken én die noodzakelijk zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen.

  • 2.

    Een belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor het overleggen van eventuele aanvullende noodzakelijke en opgevraagde informatie en gegevens bij een aanvraag voor bijstand.

  • 3.

    Wanneer deze gegevens niet meer in het bezit zijn, moet belanghebbende zorgen voor vervangende exemplaren.

  • 4.

    Als een belanghebbende geen vervangende exemplaren kan overleggen, beoordeelt het college of dat verwijtbaar is.

  • 5.

    Als het niet kunnen overleggen van gegevens niet verwijtbaar is, beoordeelt het college de aanvraag aan de hand van de wel aanwezige gegevens.

Artikel 6 Bankafschriften

  • 1.

    Bij onderzoeken naar het recht op uitkering vraagt het college in beginsel bankafschriften op over de laatste drie maanden, voorafgaand aan de datum aanvraag dan wel de datum van het heronderzoek.

  • 2.

    Het is mogelijk om afschriften op te vragen over een langere periode wanneer daartoe aanleiding bestaat.

Artikel 7 Vermogen

  • 1.

    De gemeente beoordeelt het recht op bijstand op basis van het daadwerkelijke vermogen van de aanvrager. Hierbij houdt de gemeente alleen rekening met direct opeisbare schulden.

  • 2.

    Alleen het vermogen boven de vermogensvrijlatingsgrens zoals opgenomen in artikel 34 lid 3 Pw wordt in aanmerking genomen.

  • 3.

    Bij twijfel of onduidelijkheid over het vermogen of bij aanwijzingen dat het vermogen boven de vrijlatingsgrens uitkomt wordt nader onderzoek ingesteld.

  • 4.

    De belanghebbende is verplicht om vermogensaanwas van € 1.200,- of hoger altijd door te geven via het daartoe bestemde wijzigingsformulier.

  • 5.

    De gemeente maakt gebruik van gegevensuitwisseling met andere instanties waar mogelijk.

Artikel 8 Vaststellen van het vermogen

  • 1.

    Bij de vaststelling van het vermogen zoals bepaald in artikel 34 Pw laat het college auto’s en motoren die ouder zijn dan 10 jaar buiten beschouwing, tenzij het een auto of motor betreft met een bijzondere dagwaarde.

  • 2.

    Bij het bepalen van de waarde van auto’s en motoren jonger dan 10 jaar of die met een bijzondere dagwaarde, hanteren we de dagwaarde (vervanging bij total loss) van de Koerslijst ANWB of als dat niet mogelijk is, van een taxatie voor de verzekering.

  • 3.

    Bij de auto’s en motoren die tot het vermogen worden gerekend, hanteren we een vrijlating van € 4.500,- en € 7.000,- voor elektrische auto’s.

  • 4.

    De vrijlating zoals bedoeld in lid 3 van dit artikel geldt niet voor boten, caravans of campers.

  • 5.

    Van het bij de aanvraag om bijstand aanwezige saldo op de betaalrekening wordt een bedrag van 1 maal de van toepassing zijnde norm (exclusief vakantietoeslag) niet meegerekend tot het vermogen.

  • 6.

    De volledige waarde van een uitvaartverzekering wordt niet meegenomen, ook niet als deze afkoopbaar is.

  • 7.

    Bij co-ouderschap wordt de vermogensgrens bepaald door het gemiddelde te nemen van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder (artikel 34 lid 3 Pw).

  • 8.

    Bij een wijziging van de norm, waarbij ook de wettelijke grens van het vrij te laten vermogen wijzigt, gaat het college uit van ‘gespaard uit de uitkering’’ wanneer het vermogen boven de wettelijke grens uitkomt.

  • 9.

    Alle cryptovaluta die iemand bezit zijn middelen als bedoeld in artikel 34 Pw waarover de belanghebbende beschikt of kan beschikken en worden in principe volledig tot het vermogen gerekend.

Artikel 9 Informatieverstrekking tijdens de uitkering

De belanghebbende dient informatie, die relevant kan zijn voor het recht op uitkering in principe te verstrekken binnen vijf werkdagen gerekend vanaf het moment waarop het relevante feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan.

Artikel 10 Giften

  • 1.

    Eenmalige en periodieke giften, zoals bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder m, van de wet, worden niet tot de middelen gerekend, voor zover deze:

    • a.

      de vrijlatingsgrens, zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onder m, van de Pw, niet overschrijden;

    • b.

      de vrijlatingsgrens overschrijden en naar het oordeel van het college, gezien het oogmerk van bijstandsverlening, verantwoord zijn.

  • 2.

    Voor eenmalige en periodieke giften gelden de volgende bepalingen:

    • a.

      De vrijlatingsgrens geldt per uitkering en niet per uitkeringsgerechtigde. Een echtpaar heeft gezamenlijk recht op de vrijlating tot de vrijlatingsgrens per kalenderjaar, en niet per persoon.

    • b.

      De vrijlatingsgrens wordt per kalenderjaar vastgesteld en geldt voor het gehele kalenderjaar, ongeacht de ingangsdatum van de bijstandsverlening.

    • c.

      Ingeval de gift in natura is verstrekt, wordt de waarde van de gift vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.

    • d.

      Wanneer een belanghebbende gedurende een jaar minder dan in het eerste lid genoemde vrijlatingsbedrag heeft ontvangen, dan mag het niet ontvangen restant niet worden meegenomen worden naar het volgende kalenderjaar.

  • 3.

    Indien de overschrijding van de vrijlatingsgrens niet verantwoord is vanuit het oogpunt van de bijstandsverlening, wordt de gift tot de middelen gerekend (inkomen of vermogen), afhankelijk van de aard van de gift.

  • 4.

    Alle niet-herleidbare ontvangsten of ontvangsten waarvoor geen afdoende verklaring is, worden als middelen aangemerkt. Dit betreft bijvoorbeeld kasstortingen, betaalverzoeken, cryptovaluta en/of bijschrijvingen op de bankrekening van de klant of zijn in de bijstand inbegrepen gezinsleden.

  • 5.

    De inlichtingenplicht ten aanzien van giften geldt voor:

    • a.

      alle giften die de vrijlatingsgrens, zoals genoemd in het eerste lid, overschrijden;

    • b.

      ontvangst van alle middelen, die geen giften zijn.

  • 6.

    Giften verstrekt door de voedselbank, kledingbank, speelgoedbank, kerken en soortgelijke charitatieve instellingen worden niet tot de middelen gerekend en vallen niet onder de inlichtingenplicht.

  • 7.

    Als een bonus wordt ontvangen van de werkgever dan telt deze mee als gift wanneer de bonus eenmalig als beloning voor een bijzondere prestatie is toegekend.

Artikel 11 Schadevergoeding

  • 1.

    De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als inkomen of vermogen aangemerkt.

  • 2.

    Een schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen in verband met arbeid voor de periode waarop de vergoeding toeziet.

  • 3.

    Een schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor immateriële schade die valt onder de uitzonderingen van artikel 31 lid 2 sub l van de wet wordt niet tot het vermogen gerekend.

  • 4.

    Immateriële schadevergoedingen, die niet vallen onder de bepaling zoals opgenomen in lid 3 van dit artikel worden vrijgelaten tot een bedrag ter hoogte van het vrij te laten vermogen voor alleenstaande ouders/echtparen. Als een immateriële schadevergoeding dit bedrag overschrijdt, dan beoordelen we op basis van de individuele omstandigheden of het redelijk is om 2/3 deel van de overschrijding tot het vermogen te rekenen. We volgen hiervoor de meest recente jurisprudentie.

  • 5.

    Vergoedingen op grond van de 'regeling tegemoetkoming Chroom6' worden beschouwd als vergoedingen die op grond van artikel 31 lid 2 sub m van de Pw niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend.

Artikel 12 Criteria voor het verlagen van de norm

  • 1.

    De bepalingen gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. De verlaging van de uitkering in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 PW bedraagt:

    • a.

      10% van de gehuwdennorm, als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten óf woonlasten verschuldigd is;

    • b.

      20% van de gehuwdennorm als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten én geen woonlasten verschuldigd is.

    • c.

      20% van de gehuwdennorm indien belanghebbende dakloos is en geen woning aanhoudt.

  • 2.

    Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op belanghebbenden waarop de kostendelersnorm van toepassing is.

  • 3.

    Het college verlaagt de uitkering niet als er sprake is van commerciële kamerbewoner of een commerciële kostganger.

Artikel 13 Inkomsten uit commerciële verhuur

  • 1.

    De bepalingen gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die een bijstandsuitkering op grond van de Pw ontvangen. Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(s) of commerciële kostganger(s) dan brengt het college het ontvangen huurbedrag en/of kostgeld, minus de gemiste huurtoeslag en een forfaitair bedrag van € 100 (kamerverhuur) en € 150 (kostganger) per maand als inkomen in mindering op de uitkering.

  • 2.

    Belanghebbende toont het in het eerste lid van dit artikel genoemde aan door navolgende gegevens in te leveren:

    • a.

      een huurovereenkomst of kostgangersovereenkomst; en

    • b.

      bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de huurder of kostganger daadwerkelijk de opgegeven huurprijs betaalt; en goedemiddag

    • c.

      een beschikking huurtoeslag.

Artikel 14a Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm ter voorkoming dakloosheid

  • 1.

    Wanneer een hoofdbewoner met een bijstandsuitkering iemand tijdelijk onderdak biedt vanwege een acute noodzaak tot huisvesting ter voorkoming van dakloosheid, wordt de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner tijdelijk buiten toepassing gelaten.

  • 2.

    De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 en 2 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden. Wanneer de duur op voorhand bekend is, kan het college besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen.

  • 3.

    Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning.

  • 4.

    De kostendelersnorm wordt in beginsel ook niet buiten beschouwing gelaten als iemand, na tijdelijk verblijf in een instelling dan wel detentie, terugkeert op het adres waar deze persoon hiervoor woonachtig was.

Artikel 14b Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm/ norm echtpaar vanwege mantelzorg

  • 1.

    Wanneer vanwege een zorgbehoefte zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid onder t van deze beleidsregels tijdelijk samenwonen in hetzelfde huis noodzakelijk is, dan telt de mantelzorger niet mee als kostendeler of partner bij de norm voor een echtpaar.

  • 2.

    Het is aan de inwoner om het bestaan van de zorgbehoefte, zoals bedoeld in artikel 1 lid 2 onder t aannemelijk te maken door het overleggen van bewijsstukken. Indien de inwoner hier niet in slaagt, kan het college besluiten een medisch advies op te vragen.

  • 3.

    De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de individuele situatie. Wanneer de duur op voorhand bekend is, dan kan het college besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen.

  • 4.

    Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning.

Artikel 15 Jongerennorm

  • 1.

    Het is aannemelijk dat een jongere voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders als deze:

    • a.

      aantoonbaar niet thuis kan wonen bij de ouder(s) en;

    • b.

      geen beroep kan doen op het onderhoudsrecht jegens de ouders, omdat de middelen van de ouders ontoereikend zijn of het beroep hierop wegens veiligheid niet mogelijk is of;

    • c.

      de ouders overleden zijn of niet bereikbaar zijn in het buitenland.

  • 2.

    De aanvullende norm kan verhoogd worden op grond van artikel 18 (afstemming) als sprake is van individueel noodzakelijk hogere algemene kosten van bestaan dan waarin de samengestelde normen o.g.v. artikel 20 van de wet voorzien.

  • 3.

    De totale uitkering voor jongeren kan nooit hoger zijn dan de norm voor 21 jaar en ouder in een vergelijkbare situatie (alleenwonende of kostendeler), of het wettelijk minimum jeugdloon dat van toepassing is op de betreffende jongere.

HOOFDSTUK 3 SLOTBEPALINGEN

Artikel 16 Overgangsrecht

Lopende onderzoeken en aanvragen van voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover het college pas na de ingangsdatum van deze beleidsregels een besluit neemt, handelt het college af op basis van het meest gunstige beleid voor de belanghebbende. Dit kan zowel het nieuwe als het oude beleid zijn.

Artikel 17 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 18 Citeertitel

  • 1.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Beleidsregels Rechtmatigheid 2026 gemeente Hilvarenbeek'.

  • 2.

    Onderstaande beleidsregels worden met ingang van datum inwerkingtreding van deze beleidsregels ingetrokken:

    • Beleidsregels vrijlating giften Participatiewet gemeente Hilvarenbeek

    • Beleidsregels Verzamel P-wet 2015 gemeente Hilvarenbeek.

Artikel 19 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking de dag nadat zij zijn bekend gemaakt.

TOELICHTING

Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college.

 

Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.

 

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

Deze omschrijvingen spreken voor zich.

 

Artikel 2: Verkorte aanvraag:

Het versoepelen en verkorten van de aanvraagprocedure voor de zogenoemde herinstromers is bedoeld om het hen gemakkelijker te maken de stap naar werk te zetten. Soms wordt een dergelijke stap belemmerd door angst voor (financiële) onzekerheid en een ingewikkelde en tijdrovende aanvraagprocedure bij de stap terug naar de uitkering.

 

Op grond van het nieuwe artikel 43a Pw is de verkorte aanvraag tot 12 maanden na uitstroom uit de bijstand mogelijk. Deze termijn maakt het mogelijk dat ook inwoners na een kort contract en enkele maanden WW-uitkering hiervan gebruik kunnen maken. Ook is het een redelijke termijn om aan te nemen dat de gegevens van de inwoner nog actueel genoeg zijn om te kunnen gebruiken voor het beoordelen van de nieuwe bijstandsaanvraag. Of eenvoudig door de gemeente zijn terug te vinden in de te raadplegen administraties.

 

Artikel 53a, eerste lid van de Pw bepaalt dat de gemeente geen gegevens en bewijsstukken bij de bijstandsgerechtigde opvraagt als deze verkregen kunnen worden uit de Polisadministratie, de verzekerdenadministratie, de BRP of andere bij AMvB aangewezen administraties. Het is belangrijk om hiervan gebruik te maken om de bijstandsaanvraag zo snel mogelijk de kunnen beoordelen. In alle gevallen, niet alleen bij de verkorte aanvraagprocedure.

Een ingediende bijstandsaanvraag of de beoordeling daarvan geeft voldoende grond voor het gebruik van de gegevenskoppeling met de administraties zoals genoemd in Bijlage II regeling SUWI22, in het kader van de noodzakelijke eenmalige gegevensuitvraag. De belangrijkste administraties zijn:

 

  • Basisregistratie personen;

  • UWV – verzekerdenadministratie (Polisadministratie);

  • SVB – verzekerdenadministratie;

  • Gemeentelijke administraties inzake bijstand, inkomen en re-integratie;

  • RDW – voertuigenadministratie;

  • DUO – deelname aan opleidingen, studiefinanciering.

Artikel 3: Terugwerkende kracht

Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Pw). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:

 

‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’

 

Met dit nieuwe lid krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.

Er zijn grofweg 2 soorten situaties waarbij het college op grond van individuele omstandigheden de uitkering met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht kan toekennen:

 

  • 1.

    Bij een niet-verwijtbare te late melding.

  • 2.

    Een situatie waarbij door toekenning met terugwerkende kracht ernstigere financiële gevolgen

Door terugwerkende kracht toe te passen kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen. Dit is niet alleen in het voordeel voor de aanvrager, maar ook voor de gemeente een betere en goedkopere oplossing dan iemand een schuldentraject te moeten laten volgen. Het is de bedoeling dat gemeenten aan de hand van de omstandigheden beoordelen of er terugwerkende kracht kan worden toegepast. Dat hoeft niet in alle gevallen zo te zijn.

 

Verschil bijzondere omstandigheden en individuele omstandigheden

Voor deze wettelijke uitzondering is het criterium ‘individuele omstandigheden’ ruimer dan de uitzonderingen op grond van jurisprudentie over bijzondere omstandigheden. Maar de wettelijke uitzondering is gemaximeerd tot 3 maanden. Het grootste verschil met de uitzonderingen uit de jurisprudentie is dat die niet beperkt zijn in tijd, maar juist worden ingevuld door de omstandigheden.

 

Artikel 4: Zoektermijn jongeren

Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.

 

Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:

‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’

Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.

 

Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.

 

In het tweede lid worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden. Deze lijst is niet limitatief maar dienst als leidraad voor mogelijke situaties en omstandigheden.

 

Artikel 5: Bewijsstukken

Artikel 53a Pw geeft het college de bevoegdheid te bepalen welke gegevens en bewijsstukken door een belanghebbende verstrekt moeten worden, als het gaat om het bepalen van het recht op, de hoogte van de bijstandsnorm en de voortzetting van de bijstand.

 

Op voorhand is niet aan te geven welke gegevens bij de concrete aanvraag nodig zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering. Dit is afhankelijk van de situatie en de omstandigheden van de belanghebbende (maatwerk). Individueel wordt bepaald welke nadere gegevens noodzakelijk zijn en belanghebbende wordt daarover in ieder geval schriftelijk geïnformeerd. Bij een nieuwe aanvraag van een uitkering geldt wel dat een vast aantal gegevens gevraagd wordt, omdat dit veelal de minimale gegevens betreffen die nodig zijn om een beslissing te kunnen nemen op de uitkeringsaanvraag.

 

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van wat van een belanghebbende wordt verwacht als nadere gegevens/bewijsstukken worden opgevraagd. Als gegevens uit onze eigen systemen kunnen worden gehaald, worden ze niet ook nog bij belanghebbende opgevraagd.

 

Artikel 6: Bankafschriften

Bij een rechtmatigheidsonderzoek moet belanghebbende een aantal afschriften, of een uitdraai van internetbankieren verstrekken van rekeningen, die bij hem/haar in gebruik zijn of waren. Het gaat hier om afschriften over de laatste drie maanden voor de datum van het onderzoek. Wanneer het voor onderzoek nodig is om afschriften over een periode van langer dan drie maanden te beoordelen, worden over de benodigde langere periode afschriften opgevraagd.

De belanghebbende mag de uitgaven op zijn bankafschriften onleesbaar maken. Doorvragen over onleesbaar gemaakte transacties/saldi mag als dat voor de vaststelling van het recht op bijstand nodig is.

 

Artikel 7: Vermogen

Bij het vaststellen van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de aanwezige bezittingen verminderd met de aanwezige schulden, zoals bedoeld in artikel 34 Pw. Dit is niet gewijzigd.

Wel is de zgn ‘staffelmethode’ afgeschaft, welke inhield dat de gemeente bij de aanvang van de uitkering het vermogen op dat moment vaststelde met daarnaast het maximaal ‘vrij te laten vermogen’, d.w.z. de ruimte tussen het wettelijk maximaal vermogen en het daadwerkelijke vermogen.

 

Met de nieuwe regeling, moet bij ieder onderzoek uitgegaan worden van het op dat moment aanwezig vermogen. Vermogensaanwas hoeven inwoners in principe niet meer te melden, tenzij ze hiermee boven het wettelijk vrij te laten vermogen uitkomen.

Om te voorkomen dat mensen in de problemen komen met hun vermogensaanwas, hebben we in de beleidsregels opgenomen dat inwoners vermogensaanwas van € 1.200 en hoger via het wijzigingsformulier moeten doorgeven. We sluiten hiermee aan bij de giftengrens. Het niet doorgeven van vermogensaanwas, waardoor het totale vermogen onder de wettelijke grens blijft, is geen schending van de inlichtingenplicht.

 

Als mensen vermogen ontvangen dat hoger is dan de wettelijke maximale grens, en ze hebben niet direct opeisbare schulden, dan is het in beginsel niet de bedoeling dat ze deze schulden aflossen. Ze moeten de vermogensaanwas doorgeven en de gemeente onderzoekt of het verantwoord is om eerst de schulden af te lossen of dat ze van het vermogen kunnen leven, totdat het ingeteerd is tot aan de wettelijke vermogensgrens. Hiermee voorkomen we dat er indirect bijstand voor schulden wordt verstrekt.

 

Artikel 8: Vaststelling van het vermogen

In dit artikel staat hoe het college om gaat met het bezit van auto’s en motoren en de waarde hiervan. Hierbij moet opgemerkt worden dat de vrijlating van € 4.500,- niet per auto gelezen moet worden, maar voor alle auto’s bij elkaar die iemand in bezit kan hebben. Bromfietsen en fietsen tellen we niet bij het vermogen.

 

Cryptogeld (ofwel cryptocurrency of cryptovaluta) zoals bijvoorbeeld de bitcoin, zijn digitale munteenheden en vallen onder middelen als bedoeld in artikel 34 Pw waarover de belanghebbende beschikt of kan beschikken. Het cryptogeld wordt toegerekend aan het vermogen.

Dit is alleen anders als er sprake is van handel in cryptogeld. Dan moeten de inkomsten daarvan worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 32 Pw. Vanaf het moment dat men hierover kan beschikken wordt de opbrengst van deze handel aangemerkt als inkomen.

 

Om de waarde van het cryptogeld vast te stellen zal belanghebbende inzage moeten geven in het online transactieoverzicht van het cryptogeld. Onder de waarde wordt verstaan de actuele waarde van de desbetreffende digitale munt in euro’s. De inlegkosten worden niet in mindering gebracht op de totale waarde van het cryptogeld.

 

Specificering wijze vaststellen (bepaalde) bezittingen

Het college geeft in dit artikel op de volgende onderdelen een nadere invulling op het vaststellen van het vermogen:

  • Vrijlating van vermogen in een auto of motor: als een belanghebbende beschikt over (een) auto(‘s) of motor(en), wordt de waarde van dit vervoermiddel/deze vervoermiddelen tot een bedrag van € 4.500,- (€ 7.000,- bij elektrische voertuigen) in totaal buiten beschouwing gelaten. Als de waarde hoger is, dan wordt het meerdere bij het vermogen geteld. Ook auto’s en motoren van ouder dan 10 jaar worden buiten beschouwing gelaten. Uitzondering op laatstgenoemde regel zijn auto’s/motoren met een bijzondere dagwaarde (bijvoorbeeld een oldtimer). Deze regel geldt niet per auto, maar in totaal voor het aantal auto’s wat iemand in bezit kan hebben.

  • De waarde van auto’s/motoren jonger dan 10 jaar of die met een bijzondere dagwaarde is de dagwaarde volgens de Koerslijst ANWB. Als auto’s/motoren niet op de Koerslijst staan kan een dealer of taxateur worden ingeschakeld.

  • Lid 1 en 2 van dit artikel zijn ook van toepassing voor bromfietsen en scooters.

  • Lid 1 en 2 zijn niet van toepassing voor boten, caravans en campers. De aanwezige dagwaarde telt volledig mee voor de vermogensvaststelling.

  • Vrijlating van saldo lopende rekening(en): Van het saldo wat op het moment van de bijstandsaanvraag op alle lopende rekeningen bij elkaar staat, wordt tot een bedrag van 1 maal de toepasselijke bijstandsnorm niet meegenomen bij de vermogensvaststelling. Met alle lopende rekeningen worden ook de spaarrekeningen of vermogensrekeningen bedoeld. Ook de spaar-/vermogensrekeningen van de ten laste komende kinderen.

  • Wanneer het totaal saldo op alle rekeningen meer bedraagt dan 1 keer de toepasselijke bijstandsnorm, wordt het meerdere wel als vermogen in aanmerking genomen.

  • Vrijlating van vermogen in een uitvaartverzekering: in een uitvaartverzekering gereserveerde bedragen voor een uitvaart worden volledig buiten beschouwing gelaten bij de vermogensvaststelling, ongeacht de waarde van de uitvaartverzekering. Dit geldt ook voor uitvaartverzekeringen die afkoopbaar zijn.

  • Alle cryptovaluta die iemand bezit tellen mee voor de vaststelling van het vermogen.

Verder wordt in dit artikel aangegeven hoe om moet worden gegaan met de vermogensvaststelling bij co-ouderschap. Co-ouderschap is geen wettelijk gedefinieerde leefvorm, maar geeft een feitelijke situatie weer. Co-ouderschap hebben wij gedefinieerd als de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van een minderjarig(e) kind/kinderen. Beide ouders nemen een gelijkwaardig deel van de verzorging en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening. Bij co-ouderschap is de feitelijke situatie van het verblijf en de feitelijke verzorging doorslaggevend. Niet van belang is welke ouder de kinderbijslag ontvangt. Er is geen sprake van co-ouderschap als het kind of de kinderen incidenteel en voor een korte periode bij de andere ouder verblijven (bijvoorbeeld voor vakantie). Ook als de verdeling van het ouderschap zodanig is dat deze niet afwijkt van een gebruikelijke omgangsregeling, is er geen sprake van co-ouderschap. Het college hanteert bij het vaststellen van de vermogensgrens bij co-ouders de volgende regel: de vermogensgrens wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder. Let op: dit geldt voor de vermogensgrens. Het daadwerkelijke vermogen telt volledig mee en wordt afgezet tegen deze grens. Tot het daadwerkelijk vermogen behoort ook het saldo op de rekening van minderjarige kinderen.

 

Voor het vaststellen van het vermogen kunnen we in sommige situaties ook maatwerk toepassen om onwenselijke situaties te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is de vermogensvaststelling bij wijziging van de leefvorm. In artikel 34 lid 3 Pw is vastgelegd tot welke grens vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 2 onder b Pw wordt vrijgelaten bij alleenstaanden, alleenstaande ouders en gezinnen.

Bij wisseling van leefvorm is wettelijk niet bepaald hoe om te gaan met het vaststellen van de grens van het vrij te laten vermogen. Het college hanteert in de situatie dat een belanghebbende van alleenstaande ouder alleenstaande wordt de volgende regel:

 

In de situatie dat men van alleenstaande ouder alleenstaande wordt, en er meer vermogen is dan mag worden vrij gelaten bij een alleenstaande, wordt de grens van het vrij te laten vermogen op het feitelijke aanwezige vermogen vastgesteld. In een dergelijke situatie gaan we uit van ‘gespaard vanuit de uitkering, art. 34 lid 2 sub c Pw’.

 

Artikel 9: Informatieverstrekking tijdens de uitkering

In de Pw (artikel 17 lid 1) en de IOAW/IOAZ (artikel 13, lid 1) staat de inlichtingenplicht: ‘de plicht van belanghebbende om op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling of het recht op bijstand’.

Het college mag het begrip 'onverwijld uit eigen beweging' zo hanteren dat kan worden volstaan met het van belanghebbende verwachten dat hij betreffende informatie meldt op een wijzigingsformulier.

 

Artikel 10: Giften

Het college vindt het belangrijk dat bijstandsgerechtigden financiële hulp kunnen accepteren zonder dat zij bang hoeven te zijn dat dit negatieve gevolgen voor hun uitkering heeft. Deze hulp moet dan vanuit het oogpunt van bijstandsverlening wel verantwoord zijn.

 

Met ingang van 1 januari 2026 is de grens wettelijk vastgesteld in artikel 31 lid 2 onder M van de wet. Gemeenten mogen individueel nog wel giften vrijlaten tot een hoger bedrag, maar dan alleen als dit naar het oordeel van het college verantwoord is in het licht van bijstandsverlening. Dit is veelal het geval als het gaat om giften in natura of geld voor goederen waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt of gevraagd zou kunnen worden of bedoeld voor specifieke kosten (denk hierbij aan crowdfunding). De beoordeling hiervan is altijd maatwerk.

 

De wetgever heeft ook bepaald dat giften tot de wettelijke grens niet meer onder de inlichtingenplicht vallen. Dit betekent dat inwoners zelf bij moeten gaan houden of ze giften in een kalenderjaar bij elkaar opgeteld onder deze grens hebben gekregen.

 

Het is niet zo dat de wettelijke grens per persoon geldt, als er meer mensen binnen één uitkeringsnorm vallen (b.v. echtpaar met ten laste komende kinderen) daarvoor geldt ook 1x de giftengrens.

 

Soms ontvangen mensen geld of goederen, zonder dat de herkomst hiervan bekend is of wordt gemaakt. Deze tellen we niet mee als giften, maar eerder als inkomen of vermogen.

 

In geval van giften in natura, bepaalt het college wat daarvan de waarde in geld is aan de hand van de door belanghebbende overlegde bewijsstukken met betrekking tot de waarde of op basis van hetgeen hierover in het maatschappelijk verkeer bekend is (b.v. goudprijs, Nibud prijslijst, ANWB koerslijst etc).

 

Werkgevers kunnen hun medewerkers een cadeau geven. Vaak is dit een kerstpakket of –geschenk. Als dit een geschenk is dat past binnen de fiscale vrijlating dan wordt hier niets mee gedaan. Als een werknemer eenmalig een bonus ontvangt omdat deze een extra prestatie heeft geleverd, dan wordt deze meegeteld als gift (en niet als inkomen gekort) tot aan de giftengrens. Als de bonus hoger is dan de giftengrens dan wordt het meerdere als inkomen aangemerkt, het gaat hierbij immers om een middel in verband met arbeid.

 

Let wel: een dergelijke bonus is vaak belast en kan dus gevolgen hebben voor de hoogte van de huurtoeslag in het volgende kalenderjaar. Het is belangrijk de belanghebbende hierop te wijzen.

Via de werkkostenregeling (WKR) kan de werkgever echter wel onbelaste vergoedingen (en dus ook bonussen) aan de werknemer geven. De werkgever moet de bonus dan onderbrengen in de vrije ruimte van de WKR bij de Belastingdienst. Deze vrije ruimte bedraagt een maximaal percentage van de totale loonsom. Dit wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld door de Belastingdienst.

Een eindejaarsuitkering en het vakantiegeld of andere bonussen die onder de CAO vallen worden niet tot de giftenvrijlating gerekend.

 

Artikel 11: Schadevergoeding

Het college mag bepalen welke bedragen aan vergoeding voor materiële en immateriële schade vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn en derhalve niet meetellen als vermogen bij de vermogensvaststelling (vermogensvrijlating). Het college maakt hierbij onderscheid tussen vergoedingen voor materiële en immateriële schade.

 

Een materiële schadevergoeding gaat het om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat belanghebbende al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen reeds gemaakt kosten zijn of kosten die nog gemaakt moeten worden. Wanneer een belanghebbende een materiële schadevergoeding ontvangt, is deze dus bestemd om iets te vervangen of te repareren. Daarom wordt een dergelijke schadevergoeding niet als vermogenstoename aangemerkt en hoeft het vermogen in het kader van de Participatiewet niet gewijzigd te worden.

 

Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden emotionele schade, waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Het college heeft bepaald dat een immateriële schadevergoeding tot de maximale vermogensgrens voor echtparen/alleenstaande ouders, (art. 34 lid 3 onder b en c Pw) ongeacht de leefvorm niet als vermogen wordt aangemerkt en dus ook geen gevolgen voor de vermogensvaststelling in het kader van de Pw heeft. Overschrijdt de immateriële schadevergoeding dit bedrag, dan wordt op basis van een maatwerkbeoordeling bezien of het redelijk is om 2/3 van de overschrijding tot het vermogen te rekenen.

Een schadevergoeding met een loon dervend karakter wordt wel aangemerkt als inkomen voor de periode waarop deze schadevergoeding betrekking heeft.

Schadevergoedingen die op grond van de Regeling tegemoetkoming chroom6 zijn uitgekeerd, worden niet als vermogen aangemerkt bij de vermogensvaststelling in het kader van de Pw.

 

Artikel 12: Criteria voor het verlagen van de norm

Artikel 27 van de Pw geeft het college de bevoegdheid de norm als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Pw, lager vast te stellen als gevolg van de woonsituatie van de belanghebbende, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.

Van deze bevoegdheid maakt het college gebruik door bij een belanghebbende die geen woonkosten en/of woonlasten de uitkeringsnorm te verlagen.

In de begripsomschrijvingen in artikel 1 is omschreven wat onder woonkosten en woonlasten wordt verstaan.

 

Bewoont een belanghebbende een woning waarvoor geen woonkosten of woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 10% van de gehuwdennorm. Bewoont een belanghebbende een woning waarvoor geen woonkosten én geen woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 20% van de gehuwdennorm. Dit laatste geldt ook voor belanghebbenden die dakloos zijn en geen woning aanhouden.

Als een belanghebbende de kostendelersnorm heeft, of een commerciële kamerbewoner/kostganger is, dan wordt de uitkering niet verlaagd wegens lagere woonkosten of woonlasten.

 

Wanneer sprake is van een all-inclusive huurprijs, dus een prijs waar zowel de huur als een bijdrage in de kosten van energie en/of water zijn inbegrepen, wordt de hoogte van deze huur afgezet tegen het bedrag van de basishuur zoals bedoeld in artikel 16 WHT (Wet op de huurtoeslag)). De basishuur is het deel van de rekenhuur waarover geen huurtoeslag wordt toegekend en dat te allen tijde voor rekening van de huurder blijft. Is de all-inclusive huurprijs veel lager dan de basishuur dan stemmen we de uitkering af op de lage woonkosten op grond van artikel 18 lid 1 van de Pw.

 

Artikel 13: Inkomsten uit commerciële verhuur en commercieel kostgangerschap

In de Pw is het uitgangspunt dat wanneer kosten gedeeld kunnen worden met kostendelende medebewoners ouder dan 27 jaar, de bijstandsnorm daarop wordt aangepast (kostendelersnorm). De kostendelersnorm is niet van toepassing als er sprake is van commerciële verhuur of commercieel kostgangerschap. De inkomsten die daaruit voortvloeien moeten als inkomsten worden gekort op de bijstandsuitkering.

 

Er is sprake van commerciële verhuur/commercieel kostgangerschap als er sprake is van een commerciële relatie. Hiervan is sprake als het een volledig zakelijke relatie betreft en dit kan nooit een ouder-kind relatie zijn. Hierbij vraagt de verhuurder/kostgever een commerciële prijs en de huurder/kostganger betaalt deze commerciële prijs. Deze prijs en andere belangrijke verplichtingen van de huurder en verhuurder zijn vastgelegd in een huur-/kostgangersovereenkomst. Deze overeenkomst moet overlegd kunnen worden. Huur-/kostgangersbetalingen vinden plaats per banktransacties en deze moeten kunnen worden aangetoond met bankafschriften.

 

Het ontvangen huurbedrag/kostgeld wordt als inkomsten op mindering gebracht op de bijstandsuitkering. Van dit huurbedrag/kostgeld wordt wel de gemiste huurtoeslag afgetrokken, omdat deze omlaag gaat als er meerdere personen op een adres wonen. Dit moet worden aangetoond met een beschikking huurtoeslag. Daarnaast wordt een forfaitair bedrag op de huur of het kostgeld in mindering gebracht, omdat de hoofdbewoner meer extra kosten heeft dan alleen gemiste huurtoeslag. Hierbij kan gedacht worden aan extra energiekosten, water en voor kostgangers eten en drinken. We willen in het kader van de woningnood het opnemen van huurders of kostgangers enigszins bevorderen of in ieder geval niet frustreren vanuit de bijstand.

 

Wanneer een woning gedeeld wordt met personen die uitgezonderd zijn van de kostendelersnorm (meestal inwonende kinderen jonger dan 27 jaar) dan laten we het eventuele betaalde kostgeld buiten beschouwing en brengen we dit niet in mindering op de uitkering van de belanghebbende(n) omdat veelal de huurtoeslag lager wordt bij werkende inwonende kinderen. Dit voor zover dit naar het oordeel van het college vanuit het oogpunt van de bijstandsverlening verantwoord is.

 

Artikel 14a: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm ter voorkoming dakloosheid

In uitzonderlijke gevallen kan het wenselijk zijn om in een individuele situatie maatwerk te leveren en de kostendelersnorm niet toe te passen of iemand niet als kostendeler mee te laten tellen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan crisissituaties, waarbij door belanghebbende tijdelijk onderdak geboden of verkregen wordt. Hierbij kan gedacht worden aan personen uit detentie komen of uit een instelling en acuut onderdak nodig hebben. Door het niet toepassen van de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner wordt de bereidheid om iemand op te vangen bevorderd en dakloosheid voorkomen.

 

In dit soort situaties moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • 1.

    Het moet gaan om een acute noodzaak tot huisvesting; en

  • 2.

    Het moet gaan om een tijdelijke oplossing en

  • 3.

    de kostendeler moet niet voordat deze in een instelling of detentie zat op hetzelfde adres hebben gewoond, dan is het een herstel van de reguliere situatie en geen tijdelijke noodsituatie.

In de situaties zoals in dit artikel bedoeld, wordt de kostendelersnorm gedurende 3 maanden niet toegepast voor de hoofdbewoner. Degene die inwoont ontvangt wel de kostendelersnorm als deze ook een bijstandsuitkering ontvangt, met uitzondering van de situaties van mantelzorg. Na 3 maanden moet de situatie opnieuw beoordeeld worden via een heronderzoek. Hierbij wordt onderzocht:

 

Welke inspanningen heeft de inwonende persoon verricht om eigen huisvesting te vinden dan wel om terug te keren naar zijn of haar eigen woning.

 

Is er onvoldoende gedaan om zelfstandig te gaan wonen, dan wordt de kostendelersnorm vanaf dat moment alsnog toegepast. Is er wel voldoende gedaan maar heeft dit niet tot het gewenste effect geleid, dan kan de situatie (steeds) worden verlengd met 3 maanden, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden.

 

Artikel 14b: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm/ norm echtpaar vanwege mantelzorg

Bij tijdelijk verblijf vanwege mantelzorg wordt de kostendelersnorm niet toegepast. Dit is wettelijk bepaald. Aan artikel 22 a Pw is namelijk een vierde lid toegevoegd:

 

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die voor het leveren van mantelzorg bij eenintensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders.

Ook de gehuwdennorm is niet van toepassing als er sprake is van een zorgbehoefte. Een bijstandsgerechtigde die samenwoont, wordt nu niet als gehuwd aangemerkt als:

  • er sprake is van een zorgbehoefte; én

  • de zorgbehoefte de directe en aannemelijke aanleiding is voor het samenwonen.

De aanwezigheid van een zorgbehoefte bij één van de bewoners die de aanleiding is voor het samenwonen is daarmee het belangrijkste criterium. De uitzondering geldt voor de periode dat de zorg wordt verleend en uitsluitend wanneer de zorgbehoefte aanleiding is voor het samenwonen.

De uitzondering geldt dus niet wanneer mensen al langer samenwonen en zorg dragen voor elkaar en er gaandeweg in de tijd of plotseling een zorgbehoefte ontstaat. De zorgbehoefte is dan immers niet de aanleiding voor het samenwonen. De wijziging gaat over de situatie waarin er sprake is van mantelzorg, maar kan ook worden toegepast wanneer een inwonende verzorger professionele - vanuit een pgb gefinancierde - hulp biedt.

 

De zorgbehoefte, en niet de hoeveelheid geleverde mantelzorg, is leidend bij het beantwoorden van de vraag of de uitzondering zich voordoet.

 

Van een zorgbehoefte is sprake als degene die verzorging nodig heeft door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis:

 

  • in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting; of

  • duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; of

  • duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.

Zoals uit de invulling van het begrip zorgbehoefte blijkt, gaat het hier om uitzonderingssituaties. De inwoner zal zich op deze uitzondering moeten beroepen en feiten en omstandigheden naar voren moeten brengen waaruit blijkt dat er sprake is van een dergelijke zorgbehoefte.

 

Artikel 15: Recht op jongerentoeslag

Per 1 januari 2026 is artikel 12 Pw komen te vervallen. Bij artikel 20 zijn twee nieuwe leden toegevoegd.

 

Artikel 20, derde en vierde lid

  • 3.

    Voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar verhoogt het college de norm met een bedrag van € 634,48, (per 1 juli 2025 € 720,08) indien die belanghebbende voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:

    • a.

      de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of

    • b.

      deze persoon redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken.

  • 4.

    De norm, bedoeld in het derde lid, in combinatie met de normen, bedoeld in het eerste en tweede lid, is niet hoger dan de norm, bedoeld in artikel 21, die geldt voor een 21-jarige of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, in een vergelijkbare situatie.

Mogelijkheid tot verhaal op de onderhoudsplichtige ouder blijft

Via de Verzamelwet SZW 202627 is artikel 62c gewijzigd, zodat het mogelijk blijft om de verhoogde norm te verhalen op de ouder(s) van de jongere, wanneer die hun onderhoudsplicht niet of niet behoorlijk nakomen. Het onderdeel ‘aan wie bijzondere bijstand is verleend’ is vervangen door ‘van wie de bijstand op grond van artikel 20, derde lid, is verhoogd.

 

De aanvullende norm kan verhoogd worden op grond van artikel 18 (afstemming) als sprake is van individueel noodzakelijk hogere algemene kosten van bestaan dan waarin de samengestelde normen o.g.v. artikel 20 van de wet voorzien.

 

Artikel 16: Overgangsrecht

In dit artikel is opgenomen dat bij aanvragen en lopende onderzoeken voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover nog geen besluit is genomen na de ingang van het nieuwe beleid, niet nadelig kunnen uitpakken als het nieuwe beleid minder gunstig is voor de belanghebbende. Het besluit kan dus genomen worden op zowel het oude beleid als het nieuwe beleid.