Beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente Hilvarenbeek
Beleidsregels rechtmatigheid 2026 gemeente Hilvarenbeek
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek;
- •
- •
- •
- •
het wenselijk is beleidsregels vast te stellen met betrekking tot rechten en plichten verbonden aan het ontvangen van een uitkering ingevolge de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Bbz.
besluit vast te stellen de Beleidsregels Rechtmatigheid 2026 gemeente Hilvarenbeek.
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
- 1.
- 2.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- g.
- h.
- i.
- j.
- k.
- l.
Mantelzorg: van mantelzorg is sprake als onbetaalde ondersteuning wordt verleend aan een hulpbehoevende met een aantoonbare zorgbehoefte, waarbij deze zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in het kader van de hulpverlenend beroep.
- m.
- n.
- o.
- p.
- q.
- r.
- i.
- ii.
Als sprake is van bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en- aflossing (minus de ontvangen belastingteruggaaf) met inbegrip van eventueel ter zake van de hypotheek verplichte verzekeringen, inleggen of premies en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.
- s.
- t.
Artikel 3 Bijstand met terugwerkende kracht
- 1.
- 2.
Afwijking van het bepaalde in het eerste lid is slechts mogelijk als de belanghebbende de te late melding vanwege bijzondere omstandigheden redelijkerwijs niet kan worden verweten of als de individuele omstandigheden dusdanig van aard zijn dat terugwerkende kracht noodzakelijk is om bestaanszekerheid te borgen.
- 3.
- 4.
- 5.
- 6.
- 7.
Artikel 4 Zoektermijn jongeren
- 1.
- 2.
De inspanningsverplichting als genoemd in het eerste lid is niet van toepassing als er zwaarwegende redenen bestaan in de individuele situatie van de jongere, die ertoe leiden dat de jongere niet in staat kan worden geacht aan de inspanningsverplichting te voldoen. Hierbij kan worden gedacht aan:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- g.
HOOFDSTUK 2 VASTSTELLEN RECHT OP BIJSTAND
Artikel 9 Informatieverstrekking tijdens de uitkering
De belanghebbende dient informatie, die relevant kan zijn voor het recht op uitkering in principe te verstrekken binnen vijf werkdagen gerekend vanaf het moment waarop het relevante feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan.
- 1.
- 2.
- 3.
- 4.
Immateriële schadevergoedingen, die niet vallen onder de bepaling zoals opgenomen in lid 3 van dit artikel worden vrijgelaten tot een bedrag ter hoogte van het vrij te laten vermogen voor alleenstaande ouders/echtparen. Als een immateriële schadevergoeding dit bedrag overschrijdt, dan beoordelen we op basis van de individuele omstandigheden of het redelijk is om 2/3 deel van de overschrijding tot het vermogen te rekenen. We volgen hiervoor de meest recente jurisprudentie.
- 5.
Artikel 13 Inkomsten uit commerciële verhuur
- 1.
De bepalingen gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die een bijstandsuitkering op grond van de Pw ontvangen. Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(s) of commerciële kostganger(s) dan brengt het college het ontvangen huurbedrag en/of kostgeld, minus de gemiste huurtoeslag en een forfaitair bedrag van € 100 (kamerverhuur) en € 150 (kostganger) per maand als inkomen in mindering op de uitkering.
- 2.
Artikel 14a Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm ter voorkoming dakloosheid
- 1.
- 2.
De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 en 2 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden. Wanneer de duur op voorhand bekend is, kan het college besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen.
- 3.
- 4.
Artikel 14b Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm/ norm echtpaar vanwege mantelzorg
- 1.
- 2.
- 3.
De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de individuele situatie. Wanneer de duur op voorhand bekend is, dan kan het college besluiten om de termijn direct hierop vast te stellen.
- 4.
Lopende onderzoeken en aanvragen van voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover het college pas na de ingangsdatum van deze beleidsregels een besluit neemt, handelt het college af op basis van het meest gunstige beleid voor de belanghebbende. Dit kan zowel het nieuwe als het oude beleid zijn.
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Op 1 januari 2026 is de Participatiewet (de Wet) gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van het college.
Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.
Artikel 1: Begripsomschrijvingen
Deze omschrijvingen spreken voor zich.
Het versoepelen en verkorten van de aanvraagprocedure voor de zogenoemde herinstromers is bedoeld om het hen gemakkelijker te maken de stap naar werk te zetten. Soms wordt een dergelijke stap belemmerd door angst voor (financiële) onzekerheid en een ingewikkelde en tijdrovende aanvraagprocedure bij de stap terug naar de uitkering.
Op grond van het nieuwe artikel 43a Pw is de verkorte aanvraag tot 12 maanden na uitstroom uit de bijstand mogelijk. Deze termijn maakt het mogelijk dat ook inwoners na een kort contract en enkele maanden WW-uitkering hiervan gebruik kunnen maken. Ook is het een redelijke termijn om aan te nemen dat de gegevens van de inwoner nog actueel genoeg zijn om te kunnen gebruiken voor het beoordelen van de nieuwe bijstandsaanvraag. Of eenvoudig door de gemeente zijn terug te vinden in de te raadplegen administraties.
Artikel 53a, eerste lid van de Pw bepaalt dat de gemeente geen gegevens en bewijsstukken bij de bijstandsgerechtigde opvraagt als deze verkregen kunnen worden uit de Polisadministratie, de verzekerdenadministratie, de BRP of andere bij AMvB aangewezen administraties. Het is belangrijk om hiervan gebruik te maken om de bijstandsaanvraag zo snel mogelijk de kunnen beoordelen. In alle gevallen, niet alleen bij de verkorte aanvraagprocedure.
Een ingediende bijstandsaanvraag of de beoordeling daarvan geeft voldoende grond voor het gebruik van de gegevenskoppeling met de administraties zoals genoemd in Bijlage II regeling SUWI22, in het kader van de noodzakelijke eenmalige gegevensuitvraag. De belangrijkste administraties zijn:
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Artikel 3: Terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Pw). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:
‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’
Met dit nieuwe lid krijgt het college de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
Er zijn grofweg 2 soorten situaties waarbij het college op grond van individuele omstandigheden de uitkering met maximaal 3 maanden terugwerkende kracht kan toekennen:
- 1.
- 2.
Door terugwerkende kracht toe te passen kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen. Dit is niet alleen in het voordeel voor de aanvrager, maar ook voor de gemeente een betere en goedkopere oplossing dan iemand een schuldentraject te moeten laten volgen. Het is de bedoeling dat gemeenten aan de hand van de omstandigheden beoordelen of er terugwerkende kracht kan worden toegepast. Dat hoeft niet in alle gevallen zo te zijn.
Verschil bijzondere omstandigheden en individuele omstandigheden
Voor deze wettelijke uitzondering is het criterium ‘individuele omstandigheden’ ruimer dan de uitzonderingen op grond van jurisprudentie over bijzondere omstandigheden. Maar de wettelijke uitzondering is gemaximeerd tot 3 maanden. Het grootste verschil met de uitzonderingen uit de jurisprudentie is dat die niet beperkt zijn in tijd, maar juist worden ingevuld door de omstandigheden.
Artikel 4: Zoektermijn jongeren
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de Wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:
‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’
Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat het college de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.
In het tweede lid worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden. Deze lijst is niet limitatief maar dienst als leidraad voor mogelijke situaties en omstandigheden.
Artikel 53a Pw geeft het college de bevoegdheid te bepalen welke gegevens en bewijsstukken door een belanghebbende verstrekt moeten worden, als het gaat om het bepalen van het recht op, de hoogte van de bijstandsnorm en de voortzetting van de bijstand.
Op voorhand is niet aan te geven welke gegevens bij de concrete aanvraag nodig zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering. Dit is afhankelijk van de situatie en de omstandigheden van de belanghebbende (maatwerk). Individueel wordt bepaald welke nadere gegevens noodzakelijk zijn en belanghebbende wordt daarover in ieder geval schriftelijk geïnformeerd. Bij een nieuwe aanvraag van een uitkering geldt wel dat een vast aantal gegevens gevraagd wordt, omdat dit veelal de minimale gegevens betreffen die nodig zijn om een beslissing te kunnen nemen op de uitkeringsaanvraag.
Dit artikel geeft een nadere uitwerking van wat van een belanghebbende wordt verwacht als nadere gegevens/bewijsstukken worden opgevraagd. Als gegevens uit onze eigen systemen kunnen worden gehaald, worden ze niet ook nog bij belanghebbende opgevraagd.
Bij een rechtmatigheidsonderzoek moet belanghebbende een aantal afschriften, of een uitdraai van internetbankieren verstrekken van rekeningen, die bij hem/haar in gebruik zijn of waren. Het gaat hier om afschriften over de laatste drie maanden voor de datum van het onderzoek. Wanneer het voor onderzoek nodig is om afschriften over een periode van langer dan drie maanden te beoordelen, worden over de benodigde langere periode afschriften opgevraagd.
De belanghebbende mag de uitgaven op zijn bankafschriften onleesbaar maken. Doorvragen over onleesbaar gemaakte transacties/saldi mag als dat voor de vaststelling van het recht op bijstand nodig is.
Bij het vaststellen van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de aanwezige bezittingen verminderd met de aanwezige schulden, zoals bedoeld in artikel 34 Pw. Dit is niet gewijzigd.
Wel is de zgn ‘staffelmethode’ afgeschaft, welke inhield dat de gemeente bij de aanvang van de uitkering het vermogen op dat moment vaststelde met daarnaast het maximaal ‘vrij te laten vermogen’, d.w.z. de ruimte tussen het wettelijk maximaal vermogen en het daadwerkelijke vermogen.
Met de nieuwe regeling, moet bij ieder onderzoek uitgegaan worden van het op dat moment aanwezig vermogen. Vermogensaanwas hoeven inwoners in principe niet meer te melden, tenzij ze hiermee boven het wettelijk vrij te laten vermogen uitkomen.
Om te voorkomen dat mensen in de problemen komen met hun vermogensaanwas, hebben we in de beleidsregels opgenomen dat inwoners vermogensaanwas van € 1.200 en hoger via het wijzigingsformulier moeten doorgeven. We sluiten hiermee aan bij de giftengrens. Het niet doorgeven van vermogensaanwas, waardoor het totale vermogen onder de wettelijke grens blijft, is geen schending van de inlichtingenplicht.
Als mensen vermogen ontvangen dat hoger is dan de wettelijke maximale grens, en ze hebben niet direct opeisbare schulden, dan is het in beginsel niet de bedoeling dat ze deze schulden aflossen. Ze moeten de vermogensaanwas doorgeven en de gemeente onderzoekt of het verantwoord is om eerst de schulden af te lossen of dat ze van het vermogen kunnen leven, totdat het ingeteerd is tot aan de wettelijke vermogensgrens. Hiermee voorkomen we dat er indirect bijstand voor schulden wordt verstrekt.
Artikel 8: Vaststelling van het vermogen
In dit artikel staat hoe het college om gaat met het bezit van auto’s en motoren en de waarde hiervan. Hierbij moet opgemerkt worden dat de vrijlating van € 4.500,- niet per auto gelezen moet worden, maar voor alle auto’s bij elkaar die iemand in bezit kan hebben. Bromfietsen en fietsen tellen we niet bij het vermogen.
Cryptogeld (ofwel cryptocurrency of cryptovaluta) zoals bijvoorbeeld de bitcoin, zijn digitale munteenheden en vallen onder middelen als bedoeld in artikel 34 Pw waarover de belanghebbende beschikt of kan beschikken. Het cryptogeld wordt toegerekend aan het vermogen.
Dit is alleen anders als er sprake is van handel in cryptogeld. Dan moeten de inkomsten daarvan worden aangemerkt als inkomsten als bedoeld in artikel 32 Pw. Vanaf het moment dat men hierover kan beschikken wordt de opbrengst van deze handel aangemerkt als inkomen.
Om de waarde van het cryptogeld vast te stellen zal belanghebbende inzage moeten geven in het online transactieoverzicht van het cryptogeld. Onder de waarde wordt verstaan de actuele waarde van de desbetreffende digitale munt in euro’s. De inlegkosten worden niet in mindering gebracht op de totale waarde van het cryptogeld.
Specificering wijze vaststellen (bepaalde) bezittingen
Het college geeft in dit artikel op de volgende onderdelen een nadere invulling op het vaststellen van het vermogen:
- •
Vrijlating van vermogen in een auto of motor: als een belanghebbende beschikt over (een) auto(‘s) of motor(en), wordt de waarde van dit vervoermiddel/deze vervoermiddelen tot een bedrag van € 4.500,- (€ 7.000,- bij elektrische voertuigen) in totaal buiten beschouwing gelaten. Als de waarde hoger is, dan wordt het meerdere bij het vermogen geteld. Ook auto’s en motoren van ouder dan 10 jaar worden buiten beschouwing gelaten. Uitzondering op laatstgenoemde regel zijn auto’s/motoren met een bijzondere dagwaarde (bijvoorbeeld een oldtimer). Deze regel geldt niet per auto, maar in totaal voor het aantal auto’s wat iemand in bezit kan hebben.
- •
- •
- •
- •
Vrijlating van saldo lopende rekening(en): Van het saldo wat op het moment van de bijstandsaanvraag op alle lopende rekeningen bij elkaar staat, wordt tot een bedrag van 1 maal de toepasselijke bijstandsnorm niet meegenomen bij de vermogensvaststelling. Met alle lopende rekeningen worden ook de spaarrekeningen of vermogensrekeningen bedoeld. Ook de spaar-/vermogensrekeningen van de ten laste komende kinderen.
- •
- •
Vrijlating van vermogen in een uitvaartverzekering: in een uitvaartverzekering gereserveerde bedragen voor een uitvaart worden volledig buiten beschouwing gelaten bij de vermogensvaststelling, ongeacht de waarde van de uitvaartverzekering. Dit geldt ook voor uitvaartverzekeringen die afkoopbaar zijn.
- •
Verder wordt in dit artikel aangegeven hoe om moet worden gegaan met de vermogensvaststelling bij co-ouderschap. Co-ouderschap is geen wettelijk gedefinieerde leefvorm, maar geeft een feitelijke situatie weer. Co-ouderschap hebben wij gedefinieerd als de verdeling van de zorg- en opvoedtaken van een minderjarig(e) kind/kinderen. Beide ouders nemen een gelijkwaardig deel van de verzorging en opvoeding van hun kinderen voor hun rekening. Bij co-ouderschap is de feitelijke situatie van het verblijf en de feitelijke verzorging doorslaggevend. Niet van belang is welke ouder de kinderbijslag ontvangt. Er is geen sprake van co-ouderschap als het kind of de kinderen incidenteel en voor een korte periode bij de andere ouder verblijven (bijvoorbeeld voor vakantie). Ook als de verdeling van het ouderschap zodanig is dat deze niet afwijkt van een gebruikelijke omgangsregeling, is er geen sprake van co-ouderschap. Het college hanteert bij het vaststellen van de vermogensgrens bij co-ouders de volgende regel: de vermogensgrens wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de vermogensgrens voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder. Let op: dit geldt voor de vermogensgrens. Het daadwerkelijke vermogen telt volledig mee en wordt afgezet tegen deze grens. Tot het daadwerkelijk vermogen behoort ook het saldo op de rekening van minderjarige kinderen.
Voor het vaststellen van het vermogen kunnen we in sommige situaties ook maatwerk toepassen om onwenselijke situaties te voorkomen. Een voorbeeld hiervan is de vermogensvaststelling bij wijziging van de leefvorm. In artikel 34 lid 3 Pw is vastgelegd tot welke grens vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 2 onder b Pw wordt vrijgelaten bij alleenstaanden, alleenstaande ouders en gezinnen.
Bij wisseling van leefvorm is wettelijk niet bepaald hoe om te gaan met het vaststellen van de grens van het vrij te laten vermogen. Het college hanteert in de situatie dat een belanghebbende van alleenstaande ouder alleenstaande wordt de volgende regel:
In de situatie dat men van alleenstaande ouder alleenstaande wordt, en er meer vermogen is dan mag worden vrij gelaten bij een alleenstaande, wordt de grens van het vrij te laten vermogen op het feitelijke aanwezige vermogen vastgesteld. In een dergelijke situatie gaan we uit van ‘gespaard vanuit de uitkering, art. 34 lid 2 sub c Pw’.
Artikel 9: Informatieverstrekking tijdens de uitkering
In de Pw (artikel 17 lid 1) en de IOAW/IOAZ (artikel 13, lid 1) staat de inlichtingenplicht: ‘de plicht van belanghebbende om op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op arbeidsinschakeling of het recht op bijstand’.
Het college mag het begrip 'onverwijld uit eigen beweging' zo hanteren dat kan worden volstaan met het van belanghebbende verwachten dat hij betreffende informatie meldt op een wijzigingsformulier.
Het college vindt het belangrijk dat bijstandsgerechtigden financiële hulp kunnen accepteren zonder dat zij bang hoeven te zijn dat dit negatieve gevolgen voor hun uitkering heeft. Deze hulp moet dan vanuit het oogpunt van bijstandsverlening wel verantwoord zijn.
Met ingang van 1 januari 2026 is de grens wettelijk vastgesteld in artikel 31 lid 2 onder M van de wet. Gemeenten mogen individueel nog wel giften vrijlaten tot een hoger bedrag, maar dan alleen als dit naar het oordeel van het college verantwoord is in het licht van bijstandsverlening. Dit is veelal het geval als het gaat om giften in natura of geld voor goederen waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt of gevraagd zou kunnen worden of bedoeld voor specifieke kosten (denk hierbij aan crowdfunding). De beoordeling hiervan is altijd maatwerk.
De wetgever heeft ook bepaald dat giften tot de wettelijke grens niet meer onder de inlichtingenplicht vallen. Dit betekent dat inwoners zelf bij moeten gaan houden of ze giften in een kalenderjaar bij elkaar opgeteld onder deze grens hebben gekregen.
Het is niet zo dat de wettelijke grens per persoon geldt, als er meer mensen binnen één uitkeringsnorm vallen (b.v. echtpaar met ten laste komende kinderen) daarvoor geldt ook 1x de giftengrens.
Soms ontvangen mensen geld of goederen, zonder dat de herkomst hiervan bekend is of wordt gemaakt. Deze tellen we niet mee als giften, maar eerder als inkomen of vermogen.
In geval van giften in natura, bepaalt het college wat daarvan de waarde in geld is aan de hand van de door belanghebbende overlegde bewijsstukken met betrekking tot de waarde of op basis van hetgeen hierover in het maatschappelijk verkeer bekend is (b.v. goudprijs, Nibud prijslijst, ANWB koerslijst etc).
Werkgevers kunnen hun medewerkers een cadeau geven. Vaak is dit een kerstpakket of –geschenk. Als dit een geschenk is dat past binnen de fiscale vrijlating dan wordt hier niets mee gedaan. Als een werknemer eenmalig een bonus ontvangt omdat deze een extra prestatie heeft geleverd, dan wordt deze meegeteld als gift (en niet als inkomen gekort) tot aan de giftengrens. Als de bonus hoger is dan de giftengrens dan wordt het meerdere als inkomen aangemerkt, het gaat hierbij immers om een middel in verband met arbeid.
Let wel: een dergelijke bonus is vaak belast en kan dus gevolgen hebben voor de hoogte van de huurtoeslag in het volgende kalenderjaar. Het is belangrijk de belanghebbende hierop te wijzen.
Via de werkkostenregeling (WKR) kan de werkgever echter wel onbelaste vergoedingen (en dus ook bonussen) aan de werknemer geven. De werkgever moet de bonus dan onderbrengen in de vrije ruimte van de WKR bij de Belastingdienst. Deze vrije ruimte bedraagt een maximaal percentage van de totale loonsom. Dit wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld door de Belastingdienst.
Een eindejaarsuitkering en het vakantiegeld of andere bonussen die onder de CAO vallen worden niet tot de giftenvrijlating gerekend.
Het college mag bepalen welke bedragen aan vergoeding voor materiële en immateriële schade vanuit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn en derhalve niet meetellen als vermogen bij de vermogensvaststelling (vermogensvrijlating). Het college maakt hierbij onderscheid tussen vergoedingen voor materiële en immateriële schade.
Een materiële schadevergoeding gaat het om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat belanghebbende al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen reeds gemaakt kosten zijn of kosten die nog gemaakt moeten worden. Wanneer een belanghebbende een materiële schadevergoeding ontvangt, is deze dus bestemd om iets te vervangen of te repareren. Daarom wordt een dergelijke schadevergoeding niet als vermogenstoename aangemerkt en hoeft het vermogen in het kader van de Participatiewet niet gewijzigd te worden.
Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden emotionele schade, waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Het college heeft bepaald dat een immateriële schadevergoeding tot de maximale vermogensgrens voor echtparen/alleenstaande ouders, (art. 34 lid 3 onder b en c Pw) ongeacht de leefvorm niet als vermogen wordt aangemerkt en dus ook geen gevolgen voor de vermogensvaststelling in het kader van de Pw heeft. Overschrijdt de immateriële schadevergoeding dit bedrag, dan wordt op basis van een maatwerkbeoordeling bezien of het redelijk is om 2/3 van de overschrijding tot het vermogen te rekenen.
Een schadevergoeding met een loon dervend karakter wordt wel aangemerkt als inkomen voor de periode waarop deze schadevergoeding betrekking heeft.
Schadevergoedingen die op grond van de Regeling tegemoetkoming chroom6 zijn uitgekeerd, worden niet als vermogen aangemerkt bij de vermogensvaststelling in het kader van de Pw.
Artikel 12: Criteria voor het verlagen van de norm
Artikel 27 van de Pw geeft het college de bevoegdheid de norm als bedoeld in de artikelen 20 en 21 van de Pw, lager vast te stellen als gevolg van de woonsituatie van de belanghebbende, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning.
Van deze bevoegdheid maakt het college gebruik door bij een belanghebbende die geen woonkosten en/of woonlasten de uitkeringsnorm te verlagen.
In de begripsomschrijvingen in artikel 1 is omschreven wat onder woonkosten en woonlasten wordt verstaan.
Bewoont een belanghebbende een woning waarvoor geen woonkosten of woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 10% van de gehuwdennorm. Bewoont een belanghebbende een woning waarvoor geen woonkosten én geen woonlasten zijn verschuldigd, dan verlaagt het college de uitkering met 20% van de gehuwdennorm. Dit laatste geldt ook voor belanghebbenden die dakloos zijn en geen woning aanhouden.
Als een belanghebbende de kostendelersnorm heeft, of een commerciële kamerbewoner/kostganger is, dan wordt de uitkering niet verlaagd wegens lagere woonkosten of woonlasten.
Wanneer sprake is van een all-inclusive huurprijs, dus een prijs waar zowel de huur als een bijdrage in de kosten van energie en/of water zijn inbegrepen, wordt de hoogte van deze huur afgezet tegen het bedrag van de basishuur zoals bedoeld in artikel 16 WHT (Wet op de huurtoeslag)). De basishuur is het deel van de rekenhuur waarover geen huurtoeslag wordt toegekend en dat te allen tijde voor rekening van de huurder blijft. Is de all-inclusive huurprijs veel lager dan de basishuur dan stemmen we de uitkering af op de lage woonkosten op grond van artikel 18 lid 1 van de Pw.
Artikel 13: Inkomsten uit commerciële verhuur en commercieel kostgangerschap
In de Pw is het uitgangspunt dat wanneer kosten gedeeld kunnen worden met kostendelende medebewoners ouder dan 27 jaar, de bijstandsnorm daarop wordt aangepast (kostendelersnorm). De kostendelersnorm is niet van toepassing als er sprake is van commerciële verhuur of commercieel kostgangerschap. De inkomsten die daaruit voortvloeien moeten als inkomsten worden gekort op de bijstandsuitkering.
Er is sprake van commerciële verhuur/commercieel kostgangerschap als er sprake is van een commerciële relatie. Hiervan is sprake als het een volledig zakelijke relatie betreft en dit kan nooit een ouder-kind relatie zijn. Hierbij vraagt de verhuurder/kostgever een commerciële prijs en de huurder/kostganger betaalt deze commerciële prijs. Deze prijs en andere belangrijke verplichtingen van de huurder en verhuurder zijn vastgelegd in een huur-/kostgangersovereenkomst. Deze overeenkomst moet overlegd kunnen worden. Huur-/kostgangersbetalingen vinden plaats per banktransacties en deze moeten kunnen worden aangetoond met bankafschriften.
Het ontvangen huurbedrag/kostgeld wordt als inkomsten op mindering gebracht op de bijstandsuitkering. Van dit huurbedrag/kostgeld wordt wel de gemiste huurtoeslag afgetrokken, omdat deze omlaag gaat als er meerdere personen op een adres wonen. Dit moet worden aangetoond met een beschikking huurtoeslag. Daarnaast wordt een forfaitair bedrag op de huur of het kostgeld in mindering gebracht, omdat de hoofdbewoner meer extra kosten heeft dan alleen gemiste huurtoeslag. Hierbij kan gedacht worden aan extra energiekosten, water en voor kostgangers eten en drinken. We willen in het kader van de woningnood het opnemen van huurders of kostgangers enigszins bevorderen of in ieder geval niet frustreren vanuit de bijstand.
Wanneer een woning gedeeld wordt met personen die uitgezonderd zijn van de kostendelersnorm (meestal inwonende kinderen jonger dan 27 jaar) dan laten we het eventuele betaalde kostgeld buiten beschouwing en brengen we dit niet in mindering op de uitkering van de belanghebbende(n) omdat veelal de huurtoeslag lager wordt bij werkende inwonende kinderen. Dit voor zover dit naar het oordeel van het college vanuit het oogpunt van de bijstandsverlening verantwoord is.
Artikel 14a: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm ter voorkoming dakloosheid
In uitzonderlijke gevallen kan het wenselijk zijn om in een individuele situatie maatwerk te leveren en de kostendelersnorm niet toe te passen of iemand niet als kostendeler mee te laten tellen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan crisissituaties, waarbij door belanghebbende tijdelijk onderdak geboden of verkregen wordt. Hierbij kan gedacht worden aan personen uit detentie komen of uit een instelling en acuut onderdak nodig hebben. Door het niet toepassen van de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner wordt de bereidheid om iemand op te vangen bevorderd en dakloosheid voorkomen.
In dit soort situaties moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
- 1.
- 2.
- 3.
In de situaties zoals in dit artikel bedoeld, wordt de kostendelersnorm gedurende 3 maanden niet toegepast voor de hoofdbewoner. Degene die inwoont ontvangt wel de kostendelersnorm als deze ook een bijstandsuitkering ontvangt, met uitzondering van de situaties van mantelzorg. Na 3 maanden moet de situatie opnieuw beoordeeld worden via een heronderzoek. Hierbij wordt onderzocht:
Welke inspanningen heeft de inwonende persoon verricht om eigen huisvesting te vinden dan wel om terug te keren naar zijn of haar eigen woning.
Is er onvoldoende gedaan om zelfstandig te gaan wonen, dan wordt de kostendelersnorm vanaf dat moment alsnog toegepast. Is er wel voldoende gedaan maar heeft dit niet tot het gewenste effect geleid, dan kan de situatie (steeds) worden verlengd met 3 maanden, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden.
Artikel 14b: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm/ norm echtpaar vanwege mantelzorg
Bij tijdelijk verblijf vanwege mantelzorg wordt de kostendelersnorm niet toegepast. Dit is wettelijk bepaald. Aan artikel 22 a Pw is namelijk een vierde lid toegevoegd:
- 4.
Ook de gehuwdennorm is niet van toepassing als er sprake is van een zorgbehoefte. Een bijstandsgerechtigde die samenwoont, wordt nu niet als gehuwd aangemerkt als:
- •
- •
De aanwezigheid van een zorgbehoefte bij één van de bewoners die de aanleiding is voor het samenwonen is daarmee het belangrijkste criterium. De uitzondering geldt voor de periode dat de zorg wordt verleend en uitsluitend wanneer de zorgbehoefte aanleiding is voor het samenwonen.
De uitzondering geldt dus niet wanneer mensen al langer samenwonen en zorg dragen voor elkaar en er gaandeweg in de tijd of plotseling een zorgbehoefte ontstaat. De zorgbehoefte is dan immers niet de aanleiding voor het samenwonen. De wijziging gaat over de situatie waarin er sprake is van mantelzorg, maar kan ook worden toegepast wanneer een inwonende verzorger professionele - vanuit een pgb gefinancierde - hulp biedt.
De zorgbehoefte, en niet de hoeveelheid geleverde mantelzorg, is leidend bij het beantwoorden van de vraag of de uitzondering zich voordoet.
Van een zorgbehoefte is sprake als degene die verzorging nodig heeft door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis:
- •
- •
- •
Zoals uit de invulling van het begrip zorgbehoefte blijkt, gaat het hier om uitzonderingssituaties. De inwoner zal zich op deze uitzondering moeten beroepen en feiten en omstandigheden naar voren moeten brengen waaruit blijkt dat er sprake is van een dergelijke zorgbehoefte.
Artikel 15: Recht op jongerentoeslag
Per 1 januari 2026 is artikel 12 Pw komen te vervallen. Bij artikel 20 zijn twee nieuwe leden toegevoegd.
Artikel 20, derde en vierde lid
- 3.
- 4.
Mogelijkheid tot verhaal op de onderhoudsplichtige ouder blijft
Via de Verzamelwet SZW 202627 is artikel 62c gewijzigd, zodat het mogelijk blijft om de verhoogde norm te verhalen op de ouder(s) van de jongere, wanneer die hun onderhoudsplicht niet of niet behoorlijk nakomen. Het onderdeel ‘aan wie bijzondere bijstand is verleend’ is vervangen door ‘van wie de bijstand op grond van artikel 20, derde lid, is verhoogd.
De aanvullende norm kan verhoogd worden op grond van artikel 18 (afstemming) als sprake is van individueel noodzakelijk hogere algemene kosten van bestaan dan waarin de samengestelde normen o.g.v. artikel 20 van de wet voorzien.
In dit artikel is opgenomen dat bij aanvragen en lopende onderzoeken voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover nog geen besluit is genomen na de ingang van het nieuwe beleid, niet nadelig kunnen uitpakken als het nieuwe beleid minder gunstig is voor de belanghebbende. Het besluit kan dus genomen worden op zowel het oude beleid als het nieuwe beleid.