Beleidsregels re-integratie 2026 gemeente Hilvarenbeek
Beleidsregels re-integratie 2026 gemeente Hilvarenbeek
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek;
- –
- –
- –
- –
- –
het wenselijk is regels vast te stellen omtrent de voorzieningen die het college kan inzetten in het kader van participatie c.q. re-integratie c.q. arbeidsinschakeling,
besluit vast te stellen de Beleidsregels re-integratie 2026 gemeente Hilvarenbeek.
HOOFDSTUK 1: ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1: Begripsomschrijvingen
- 1.
- 2.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- g.
Mantelzorg: van mantelzorg is sprake als iemand vanwege een aantoonbare zorgbehoefte, onbetaald ondersteuning biedt aan een hulpbehoevende, waarbij deze zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en die de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.
- h.
- i.
- j.
- k.
Artikel 6: Verplichtingen voor jongeren onder 27 jaar
- 1.
Voor een jongere tot 27 jaar die een aanvraag voor een bijstandsuitkering heeft ingediend of zich heeft gemeld voor een bijstandsuitkering, niet zijnde een kwetsbare jongere, geldt de eerste vier weken de inspanningsverplichting om:
- a.
zijn of haar mogelijkheden tot het volgen van onderwijs te onderzoeken en zich voor een opleiding aan te melden, of, wanneer sprake is van een jongere zoals bedoeld in het derde lid, zijn of haar mogelijkheden met betrekking tot arbeid te onderzoeken en te solliciteren naar algemeen geaccepteerde arbeid;
- b.
- a.
- 2.
- 3.
- 4.
- 5.
In afwijking van het derde lid geldt dat een jongere die geen startkwalificatie heeft, wel het vermogen heeft om deze te halen, maar geen of onvoldoende recht op studiefinanciering heeft, in beginsel niet terug naar het volgen van onderwijs wordt geleid. Aan deze jongere wordt andere passende ondersteuning aangeboden naar werk of re-integratie.
Artikel 13: Verlaging van 100% halveren
Van de mogelijkheid om een maatregel van 100% gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie te halveren, zoals opgenomen in artikel 21, tweede lid, van de Verordening, kan het college gebruikmaken als er sprake is van een gedraging waar herstel niet van mogelijk is.
Artikel 14: Verzoek tot herzien verlaging indien deze 100% gedurende 2 maanden bedraagt
- 1.
- 2.
- 3.
- 4.
- 5.
Indien de belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een maatregel is opgelegd, dan wordt de maatregel vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de belanghebbende het verzoek als bedoeld in lid 1 heeft ingediend, niet geeffectueerd. Dit betekent dat de maatregel vanaf die dag komt te vervallen.
- 6.
- 7.
- 8.
- 9.
Lopende onderzoeken en aanvragen van voor de ingangsdatum van deze beleidsregels, waarover het college pas na de ingangsdatum van deze beleidsregels een besluit neemt, handelt het college af op basis van het meest gunstige beleid voor de belanghebbende. Dit kan zowel het nieuwe als het oude beleid zijn.
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
In 2015 zijn de Verzamelbeleidsregels PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2015 vastgesteld. Deze verzamelbeleidsregels bundelden het gemeentelijk beleid op een aantal gebieden van Werk en Inkomen. Omdat de verzamelbeleidsregels door onder andere nieuwe wetgeving (Wet breed offensief) en recente rechtspraak verouderd waren, hebben we ze geactualiseerd. Daarbij hebben we de verzamelbeleidsregels ook op onderwerp uit elkaar getrokken. Dat is duidelijker voor zowel onze inwoners als de uitvoering. Ook door de invoering van de Wet in balans, spoor 1, fase 1 moeten de beleidsregels aangepast worden.
Deze beleidsregels gaan over de doelmatigheid van de Wet. Dat betekent dat hierin regels zijn opgenomen over de voorzieningen die het college kan inzetten in het kader van participatie/re-integratie/arbeidsinschakeling.
Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.
Artikel 2: Aanspraak op ondersteuning
Wanneer een belanghebbende een gemeentelijke voorziening nodig heeft om aan het werk te gaan of te blijven, kijkt het college welke voorziening, gelet op de mogelijkheden en de capaciteiten van de belanghebbende (het meest) passend is, waarbij wordt gestreefd naar duurzame arbeidsinschakeling. Als er meerdere voorzieningen passend zijn, dan wordt de goedkoopste voorziening aangeboden. Het college kan een voorziening aan zowel belanghebbende als diens werkgever verstrekken, afhankelijk van wat nodig is voor werk, re-integratie of participatie.
Wanneer arbeidsinschakeling (nog) niet haalbaar is, kan een voorziening worden ingezet voor het verbeteren van de participatie van onze inwoner.
Artikel 3: Niet-uitkeringsgerechtigden
Het college kan voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling aanbieden aan niet uitkerings-gerechtigden. Niet-uitkeringsgerechtigden zijn mensen die geen recht hebben op een bijstands- of andere uitkering. Zij moeten dan jonger zijn dan de pensioengerechtigde leeftijd én geen recht hebben op arbeidsondersteuning vanuit andere wetten (zoals Wajong, WW, WIA).
Wanneer een niet-uitkeringsgerechtigde in aanmerking wil komen voor een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, moet hij/zij zich zelf melden bij de gemeente voor ondersteuning gericht op arbeidsinschakeling.
Wanneer de inzet van een voorziening noodzakelijk is om de niet-uitkeringsgerechtigde zijn/haar werk te kunnen laten uitvoeren, kan een voorziening worden toegekend. Er mag dan geen sprake zijn van een voorliggende voorziening. Dit betekent dat, zoals hiervoor vermeld, er geen recht mag zijn op arbeidsondersteuning vanuit andere wetten.
Wanneer een voorziening wordt toegekend, worden de afspraken hierover vastgelegd in een plan van aanpak (zie verder artikel 4). Als de niet-uitkeringsgerechtigde onvoldoende aan de uitvoering van het plan van aanpak meewerkt, beëindigt het college de dienstverlening.
Bij aanspraak op ondersteuning stemt het college met de belanghebbende af welke voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten (waaronder diens wensen en talenten) van de belanghebbende (het meest) passend is. Hierin ligt ook besloten dat het college rekening houdt met de omstandigheden van de belanghebbende, zoals bepaalde zorgtaken.
De wederzijdse afspraken worden in een plan van aanpak vastgelegd, dat in samenspraak met de belanghebbende wordt opgesteld. Het plan van aanpak wordt met een beschikking aan belanghebbende kenbaar gemaakt. Hiermee worden de wederzijdse rechten en plichten ook juridisch vastgelegd.
In principe krijgen alle uitkeringsgerechtigden een plan van aanpak. Hiervan kan worden afgezien als een belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, tenzij de betreffende belanghebbende zelf om een plan van aanpak verzoekt.
Het college kan een voorziening aan zowel belanghebbenden als diens werkgevers verstrekken, afhankelijk van wat nodig is voor werk, re-integratie of participatie.
Voor wat betreft de werkgeversdienstverlening werken we in regionaal verband samen met binnen de arbeidsmarktregio Midden-Brabant. Daarom hebben we het totale aanbod van voorzieningen, zowel voor belanghebbenden als dienst werkgevers, binnen de arbeidsmarktregio Midden-Brabant op elkaar afgestemd.
We hebben de gemeentelijke instrumenten, die voorheen in de regionale menukaart stonden, overzichtelijk in een overzicht gezet. Dit overzicht (bijlage 1) maakt integraal onderdeel uit van de beleidsregels. Dit betekent dat onze inwoners ook aan de bijlage rechten kunnen ontlenen.
Artikel 6: Verplichtingen voor jongeren onder 27 jaar
In de wet is voor jongeren tot 27 jaar een zoektermijn van vier weken opgenomen. Dit staat in artikel 41 vierde lid van de wet. Met de Participatiewet in balans is er aan artikel 41 een 11de en 12de lid toegevoegd:
- 11:
- 12:
In de beleidsregels rechtmatigheid gemeente Hilvarenbeek 2026 is hierover het volgende opgenomen:
De inspanningsverplichting is niet van toepassing als er zwaarwegende redenen bestaan in de individuele situatie van de jongere, die ertoe leiden dat de jongere niet in staat kan worden geacht aan de inspanningsverplichting te voldoen. Hierbij kan worden gedacht aan:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- g.
Alle jongeren worden gesproken in een meldingsgesprek. Als in dit gesprek blijkt dat er zwaarwegende redenen zijn die ertoe leiden dat de jongere niet aan zijn inspanningsverplichting tijdens de zoektermijn kan voldoen, is dit ook reden om af te zien van vier weken.
In de Wet staan naast de algemene uitsluitingsgronden voor jongeren nog drie aanvullende uitsluitingsgronden (artikel 13 lid 2 onderdeel c en d PW):
- •
- •
- •
Er wordt door de wetgever niet gespecificeerd wat er wordt bedoeld met ‘kunnen volgen’. In het derde lid wordt daar verder invulling aan gegeven.
In lid vijf staat beschreven dat we een jongere die geen startkwalificatie heeft wel het vermogen heeft om deze te halen, maar geen of onvoldoende recht heeft op studiefinanciering, in het beginsel niet terug leiden naar school. De wet sluit studeren met een uitkering niet uit, zoals dat vroeger wel het geval was. Om te voorkomen dat bijstand verkapte studiefinanciering wordt, maar ook omdat we nog andere methoden hebben om deze jongeren bijstandsonafhankelijk te maken, hebben we deze bepaling opgenomen. Dit betekent overigens niet dat deze jongeren na het vinden van een baan alsnog een startkwalificatie kunnen halen. In de praktijk blijkt dat het gros van de jongeren die zich melden gebaat is bij het volgen van een BBL opleiding (4 dagen werken bij een werkgever, 1 dag naar school). Hiervoor is studiefinanciering niet noodzakelijk en kan de jongere alsnog een startkwalificatie behalen. Doordat zij via de werkgever inkomen genereren, hoeven zij geen beroep te doen op een uitkering.
Jongeren hebben een informatieplicht als het gaat om de vraag in hoeverre het reguliere onderwijs nog mogelijkheden voor hen biedt. Ze moeten bij hun aanvraag documenten verstrekken die het college kan helpen bij de beoordeling van de vraag of het volgen van een uit ’s Rijks kas bekostigde opleiding mogelijk is (artikel 41 lid 5 PW). Het moet in ieder geval gaan om gegevens of stukken waarover de jongere redelijkerwijs kan beschikken (zie artikel 4:2 lid 2 Awb).
Artikel 7: Verlenen ontheffingen wegens dringende redenen
Op grond van de wet is iedere uitkeringsgerechtigde verplicht om zijn algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, te aanvaarden en te behouden om mee te werken aan voorzieningen die de arbeidsinschakeling bevorderen.
Onder bepaalde voorwaarden kan een uitkeringsgerechtigde worden ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling. Deze ontheffing kan alleen tijdelijk worden ontheven van de plicht tot arbeidsinschakeling. Deze ontheffing kan alleen tijdelijk worden gegeven (behalve bij personen die volledig duurzaam arbeidsongeschikt zijn, zie hiervoor artikel 10 van deze beleidsregels). Ontheffing van voorzieningen in het kader van sociale activering of van onderzoek naar de mogelijkheden voor arbeidsinschakeling is niet mogelijk.
In het geval van ontheffing van de plicht tot arbeidsinschakeling op grond van dringende redenen, moet de dringende reden altijd in (de omstandigheden van) de persoon liggen. Algemene redenen zoals een slechte arbeidsmarkt zijn nooit een reden voor ontheffing. De ontheffing wordt individueel beoordeeld. Uitgangspunt is dat niet wordt onderzocht wat mensen niet kunnen, maar juist wat ze wél kunnen in het licht van hun beperkingen of hun (sociale) omstandigheden.
De duur van de ontheffing moet altijd in de beschikking worden opgenomen. Deze is afhankelijk van de duur van de dringende reden waarvoor deze ontheffing wordt gegeven. De maximale duur van de ontheffing is 1 jaar, waarna de verlenging opnieuw wordt beoordeeld, intern dan wel via een externe deskundige. Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen, indien dit binnen het vermogen van de belanghebbende ligt en gezien de aard van de belemmering mogelijk is. Deze extra verplichting wordt dan opgelegd op grond van artikel 55 van de PW.
Artikel 8: Ontheffing wegens lichamelijke of psychische belemmering
Medische problemen zijn niet per definitie een reden voor het verlenen van een ontheffing. Indien medische redenen worden aangegeven als belemmering en er zijn nog geen medische gegevens aanwezig in het dossier om dit te onderbouwen, dan wordt er een medisch of arbeidsdeskundig onderzoek gevraagd. Als de medische situatie al bekend is en er zijn geen wijzigingen in de situatie, dan kan de ontheffing worden verleend zonder aanvullend onderzoek.
Artikel 9: Ontheffing wegens intensieve zorgtaken
Over het algemeen zullen zorgtaken geen reden zijn om een ontheffing te verlenen. Een zorgtaak zal namelijk in de meeste gevallen gecombineerd kunnen worden met de arbeidsverplichting.
In specifieke gevallen kan een zorgtaak zoveel impact hebben op een belanghebbende, dat actieve inzet voor wat betreft de arbeidsverplichting niet van de persoon gevergd kan worden. Er kan dan sprake zijn van een dringende reden. Bij dringende redenen in deze context moet worden gedacht aan bijzondere zorgtaken. Vaak zijn het de kortdurende zorgtaken, die dienen ter overbrugging wanneer reguliere zorg nog niet geregeld is. Dit kunnen bijvoorbeeld de zorgtaken zijn voor één of meerdere ten laste komende kinderen, zoals een gehandicapt of langdurig ziek kind, waarvoor overdag (nog) geen opvangmogelijkheid is. Een ontheffing wegens zorgtaken is anders dan de ontheffing voor een alleenstaande ouder met een kind tot 5 jaar, zoals bedoeld in artikel 9a PW.
Artikel 10: Beoordeling volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid
Personen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn, hoeven niet te worden ‘ontheven’ van de verplichtingen, aangezien zowel de arbeids- als de re-integratieverplichting vanuit de wet op hen niet van toepassing zijn.
Onder de groep ‘volledig en duurzaam arbeidsongeschiktheid’ vallen degenen die voldoen aan de criteria die de Wet werk en inkomen arbeidsongeschikten daaraan stelt. Dit is de enige groep voor wie dit geldt. De regering heeft hiertoe besloten om te voorkomen dat deze personen en de uitvoering belast moeten worden met een periodiek medisch onderzoek waarvan de uitkomst op voorhand vast staat, gegeven de duurzaamheid van de volledige arbeidsongeschiktheid. De beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, moet gebeuren via een arbeidsdeskundig- dan wel medisch onderzoek. Als de medische situatie al bekend is, en hieruit is af te leiden dat iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, dan kan dit op basis van de reeds aanwezige gegevens worden vastgesteld. Een arbeidsdeskundig- dan wel een medisch onderzoek is dan niet meer nodig.
Artikel 11: Rekening houden met bepaalde zorgtaken
Bij de invulling van de arbeidsverplichtingen houdt het college rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie werk en zorg. Dit zal in de meeste gevallen betekenen dat, indien een voorziening wordt aangeboden, bekeken wordt of een belanghebbende deel kan nemen aan de voorziening en dat daarnaast nog voldoende ruimte bestaat voor de zorgtaken. Ook wordt de belanghebbende gewezen op de aanwezigheid van een flankerende voorziening. Daarbij kan worden gedacht aan kinderopvang. Overigens hoeft de gemeente niet perse zelf alle voorzieningen te organiseren, maar zij dient wel rekening te houden met het beschikbaar zijn hiervan.
Artikel 12: Spreiding verlaging naar drie maanden (inkeerbepaling)
In de Verzamelverordening is de inkeerbepaling opgenomen. Omdat het doel van het opleggen van een verlaging is om een gedragsverandering teweeg te brengen, krijgt een belanghebbende door de inkeerbepaling de kans zijn gedrag te veranderen waarna de opgelegde verlaging ongedaan gemaakt kan worden
Het moet dus altijd gaan om een gedraging die nog hersteld kan worden (met andere woorden: waar inkeer nog van mogelijk is).
Dit artikel geeft aan op welke wijze de maatregel wordt gespreid.
Artikel 13: Verlaging van 100% halveren
Wanneer er sprake is van een maatregel van 100% gedurende 1 maand, heeft het gebruik maken van de inkeerbepaling de voorkeur. Maar als er sprake is van een gedraging waar herstel niet van mogelijk is, dan kan het college op basis van individuele omstandigheden besluiten de verlaging van 100% te halveren.
In het tweede lid is uitgewerkt in welke situaties het college van deze mogelijkheid tot halveren gebruikmaakt. Er zijn ook andere situaties denkbaar waarin het zeer gewenst is om de maatregel te halveren. Dit moet altijd individueel worden beoordeeld en goed worden gemotiveerd.
Artikel 14: Verzoek tot herzien indien deze 100% gedurende 2 maanden bedraagt
In beginsel duurt een maatregel van 100% nooit langer dan 1 maand. Tenzij er sprake is van recidive, dan wordt de duur van de maatregel verdubbelt. Dit betekent dat aan recidivisten een maatregel van 100% gedurende 2 maanden kan worden opgelegd. Wanneer dat het geval is, kan een belanghebbende aan het college verzoeken om een deel van de maatregel gedeeltelijk niet te effectueren. Een dergelijk verzoek moet schriftelijk en gemotiveerd worden gedaan. In het verzoek moet belanghebbende in ieder geval opnemen welke verplichting is geschonden (dus waarom een maatregel is opgelegd) en moet belanghebbende aantonen dat hij op het moment van indienen van het verzoek wél aan de verplichting voldoet. Het verzoek kan pas worden ingediend als de maatregel al is gestart, en vóórdat de maatregel volledig is geeffectueerd. Een dergelijk verzoek kan per besluit eenmaal worden gedaan. Worden er meerdere maatregelen per jaar van 100% gedurende 2 maanden opgelegd, dan kan belanghebbende tweemaal per jaar een dergelijk verzoek indienen. Het college zal op basis van een individuele beoordeling de afweging maken of de maatregel wel of niet gedeeltelijk wordt geeffectueerd.
Bijlage: instrumenten re-integratie
Eventueel met inzet van voorzieningen genoemd in deze bijlage een belanghebbende bemiddelen naar algemeen geaccepteerde arbeid.
Personen vallend onder de doelgroep re-integratie van artikel 7 van de wet.
Dit valt onder de dienstverlening van de gemeente.
6 Maanden met steeds een mogelijke verlenging van 6 maanden.
Indien noodzakelijk kunnen aan de belanghebbende aanvullende verplichtingen worden opgelegd die verband houden met de bemiddeling. Deze leggen we vast in een beschikking, een plan van aanpak of een persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP).
Wanneer vanwege de individuele situatie een belanghebbende (vooralsnog) geen uitzicht heeft op regulier werk, kan bemiddeling plaatsvinden naar een plaats waarmee maatschappelijke deelname wordt bevorderd.
(grondslag verordening: art. 7a Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023)
Personen vallend onder de doelgroep re-integratie van de wet.
Dit valt onder de dienstverlening van de gemeente.
6 Maanden, daarna wordt bezien of voortzetting zinvol is.
- •
- •
- •
- •
Deze voorziening is bedoeld voor mensen met een indicatie voor beschut werk. Tot de doelgroep beschut werk behoren mensen die door hun lichamelijke, verstandelijke en/of psychische beperking een zodanige mate van (structurele) begeleiding of aanpassing van de werkplek nodig hebben, dat zij nog niet in een reguliere baan kunnen werken. Ook niet met extra begeleiding en extra voorzieningen van de gemeente of het UWV (grondslag verordening: artikel 7d Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023).
Werkzoekenden (gemeentelijk of UWV) met een indicatie beschut werk.
Loon met loonkostensubsidie (gemeentelijke kandidaat) of aangevuld met loondispensatie (UWV).
Tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Bij de bepaling door het college of iemand de voorziening beschut werk krijgt aangeboden wordt rekening gehouden met het aantal beschutte werkplekken dat door het college is vastgesteld. Dit is gelijk aan het aantal dat bij ministeriële regeling, als bedoeld in artikel 10b, vierde lid, van de wet, wordt bepaald.
De belanghebbende wordt voor het verrichten van algemeen geaccepteerde arbeid uitgeleend aan een derde partij voor een vooraf bepaalde periode met als doel:
- •
- •
De kosten die verbonden zijn aan een detacheringstraject worden vooraf bepaald tussen de gemeente en de andere partij.
Afhankelijk van detacheringsvorm.
Persoonlijke ondersteuning betreft de systematische ondersteuning van een belanghebbende op de werkplek door een coach in het in het kader van een traject of dienstbetrekking in een werksetting. Op verzoek van de werkgever, de belanghebbende of gemeente wordt na instemming van de gemeente een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk ingezet. Deze persoonlijke ondersteuning kan worden geboden in de vorm van:
- •
- •
Wanneer het gaat om een subsidie aan de werkgever of aan een externe jobcoach wordt aangesloten bij de uurvergoeding Persoonlijke ondersteuning/Jobcoaching uit het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV, zoals geldend op het moment van de aanvraagdatum, afgezet tegen het geldende pakket jobcoaching.
Zie tabel ‘pakketten jobcoaching’
De beschikbare uren (per maand) zijn bij elkaar opgeteld over de gehele looptijd naar inzicht van de jobcoach in te zetten gedurende de looptijd. Bijvoorbeeld: bij een “midden”-pakket bij een jaarcontract van 38 uur per week is er 48 uur (12 x 4 uur) te besteden. De jobcoach kiest ervoor om in de eerste 3 maanden gemiddeld 8 uur per maand in te zetten en daarna tussen de 2 en 3 uur per maand. Op jaarbasis wordt het maximum van 48 uur niet overschreden.
Nadere voorwaarden bij jobcoaching
- •
- •
- •
- •
- •
De jobcoach kan een werkgever of diens collega middels een Harrie-training of erkend leermeesterschap in staat stellen de begeleiding op te pakken zodanig dat jobcoaching overbodig wordt. Deze Harrie-training is voor werkgevers gratis en wordt aangeboden en georganiseerd door Werkgeversservicepunt Midden-Brabant. Zie 6: ‘Interne werkbegeleiding’
Vaststellen begeleidingsbehoefte
- •
- •
- •
- •
- •
- •
De jobcoach verricht binnen de beschikbare uren alle taken die noodzakelijk zijn om de jobcoaching uit te voeren. Hieronder wordt in ieder geval verstaan: (telefonische) afstemming met werknemer/werkgever/werkmakelaar voor/tijdens/na de jobcoachingsperiode, bezoek van de werkplek en begeleiding van de werknemer, registratie/ verslaglegging.
- •
- •
- •
- •
Continuïteit en beëindiging voorziening
- •
- •
- •
Als een persoon uit de doelgroep voor het kunnen verrichten van werk is aangewezen op begeleiding die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever aanzienlijk te boven gaat, kan het college een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van de interne werkbegeleiding. Het gaat dus om begeleiding die geboden wordt door een collega-werknemer of de werkgever zelf.
Vergoeding conform het Besluit Normbedragen UWV artikel 6, code Q2 beleidsregime licht of midden.
In beginsel 1 jaar, te verlengen met 2 keer 1 jaar indien het college oordeelt dat er redenen zijn om de interne werkbegeleiding voort te zetten.
- •
- •
- •
- •
- •
Loonkostensubsidie kan door gemeenten worden ingezet voor mensen die onder de doelgroep van de Wet vallen en die niet in staat zijn om met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen. Loonkostensubsidie is een financiële compensatie voor het verschil tussen de feitelijke loonwaarde en het wettelijk minimumloon, met een maximum van maximaal 70% van het wettelijk minimumloon voor de werkgever die iemand met een beperkte loonwaarde in dienst neemt.
(grondslag verordening: artikel 7e Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023)
Gemeenten kunnen loonkostensubsidie inzetten voor:
- •
- •
- •
- •
Afhankelijk van de uitkomst van een objectief vastgestelde loonwaarde op de werkplek met het regionaal overeengekomen gevalideerde instrument conform de landelijk vastgestelde methodiek.
De duur is onbeperkt en loopt tot het moment dat iemand niet meer tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort.
- •
- •
- •
uitschrijving uit doelgroepregister is mogelijk sinds januari 2021 op aanvraag. https://www.uwv.nl/werkgevers/actueel/uitschrijving-uit-doelgroepregister-vanaf-januari-2021.aspx.
De forfaitaire loonkostensubsidie is een stimulans voor werkgevers om iemand met een afstand tot de arbeidsmarkt (sneller) in dienst te nemen en te houden. De gemeente kan in overleg met de werkgever voor het eerste half jaar van het dienstverband kiezen voor forfaitaire loonkostensubsidie. De forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon. Uiterlijk in de vijfde maand van het dienstverband wordt de loonwaarde voor de werkplek alsnog objectief vastgesteld. Uiterlijk vanaf de zevende maand geldt de vastgestelde loonwaarde.
(grondslag verordening: artikel 7e Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023)
Gemeenten kunnen forfaitaire loonkostensubsidie inzetten voor:
- •
- •
- •
De forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt 50% van het wettelijk minimumloon vermeerderd met een vergoeding voor de werkgeverslasten.
De duur is maximaal 6 maanden.
De forfaitaire loonkostensubsidie vereenvoudigt en bespoedigt de plaatsing van een kandidaat met een arbeidsbeperking in een dienstbetrekking bij een werkgever.
Let op! Bij forfaitaire loonkostensubsidie tijdens de praktijkroute is de no risk polis (uitgegeven door het UWV) niet van toepassing!
De Praktijkroute is een extra toegangsroute om mensen met een arbeidsbeperking en/of verwachte verminderde loonwaarde in het doelgroepregister van de banenafspraak op te nemen.
(grondslag verordening: artikel 7e Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023)
Gemeenten kunnen de praktijkroute inzetten voor mensen die vallen onder de doelgroep van de Wet, met een arbeidsbeperking/verwachte verminderde loonwaarde.
Er zijn geen kosten verbonden aan het opnemen van mensen met een arbeidsbeperking of verminderde loonwaarde in het doelgroepregister banenafspraak via de Praktijk-route. Subsidiemogelijkheden voor de werkgever zijn afhankelijk van de situatie van de medewerker. De kosten van de loonwaardemeting en de loonkostensubsidie komen wel voor rekening van de gemeente.
- •
- •
de Praktijkroute houdt in dat mensen uit de doelgroep Wet, van wie op de werkplek via een gevalideerde loonwaardemethodiek is vastgesteld dat zij een loonwaarde hebben lager dan 100%, zonder beoordeling door UWV in het doelgroepregister worden opgenomen. Zodra iemand op grond van de Praktijkroute is opgenomen in het doelgroepregister, telt de baan mee voor de banenafspraak en kunnen werkgevers bij ziekte aanspraak maken op de no-riskpolis (uitgegeven door het UWV). Ook kan de werkgever aanspraak maken op bepaalde voordelen afhankelijk van de situatie van de werknemer.
Een tijdelijke werkplek bij een werkgever die daarvoor geen loon hoeft te betalen, bijvoorbeeld ten behoeve van het vaststellen van de loonwaarde, voorafgaand aan het starten van arbeid in dienstbetrekking bij diezelfde werkgever.
Twee maanden, met mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden.
- •
- •
- •
Een tijdelijke werkplek bij een werkgever, die daarvoor geen loon hoeft te betalen, om een vak te leren en/of vaardigheden op te doen om arbeidsinschakeling mogelijk te maken.
Maximaal 6 maanden. Kan eenmalig worden verlengd met 6 maanden.
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Een bedrag dat eenmalig kan worden toegekend aan de werkgever om deze te stimuleren om een werknemer met een belemmering richting werk een regulier dienstverband aan te bieden en deze te compenseren voor opstartkosten, tegemoetkoming in de loonkosten of overige kosten (scholing, jobcoach, etc.).
Uitkeringsgerechtigden bij wie geen beperking is vastgesteld, maar die wel een belemmering richting werk hebben.
Afhankelijk van specifieke omstandigheden, maar maximaal € 5.000,00.
Niet van toepassing, het gaat om een eenmalige premie.
- •
- •
Elke activiteit in het kader van een gestructureerde leersituatie die is gericht op het ontwikkelen of vergroten van kennis en/of vaardigheden.
De scholing wordt aangeboden in relatie tot:
- •
- •
- •
Wanneer een belanghebbende moeite heeft met zien of bewegen, kan, om het werk goed uit te kunnen voeren, hulp of begeleiding worden verstrekt voor bepaalde taken die vanwege de handicap niet goed zelf kunnen worden gedaan. Dit wordt ‘intermediaire activiteit’ genoemd. Men kan hierbij denken aan een spraak- of gebarentolk. De intermediaire activiteit bestaat altijd uit diensten die door een persoon worden verricht (dus geen fysieke voorziening).
(grondslag verordening: artikel 9g jo artikel 8a Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023)
Maatwerk. Voor de hoogte van de vergoeding wordt aangesloten bij de normbedragen zoals vastgesteld in het Besluit Normbedragen Voorzieningen UWV, zoals geldend op het moment van de aanvraagdatum.
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Aanpassingen op of rond de werkplek die ervoor zorgen dat een werknemer met een structurele functionele beperking het werk kan uitvoeren, wat zonder die aanpassing niet zou lukken (zoals een rolstoeltoegankelijke werkruimte).
Doelgroep Wet met een structureel functionele beperking.
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
- •
Wanneer een belanghebbende een hulpmiddel nodig heeft om het werk goed te kunnen doen, kan een meeneembare voorziening worden toegekend. Men kan hierbij denken aan een bureaustoel, toetsenbord of koptelefoon. (grondslag verordening: artikel 9h jo artikel 8a Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023)
Maatwerk, voor zover het de goedkoopst adequate voorziening betreft.
- •
- •
- •
- •
- •
Een vergoeding voor noodzakelijke kosten, die gemaakt worden in het kader van een plaatsing op betaald werk.
Personen die in verband met arbeidsinschakeling noodzakelijke kosten moeten maken, welke niet anderszins worden vergoed.
Afhankelijk van specifieke omstandigheden.
- •
- •
- •
Voor zover het reiskosten betreft, geldt dat:
- –
- –
in geval de reisafstand minder dan 10 kilometer is en belanghebbende heeft nooit leren fietsen, is vergoeding van de reiskosten wel mogelijk gedurende een periode van maximaal 6 maanden. Belanghebbende krijgt dan de nadere verplichting opgelegd om te leren fietsen, tenzij hij door middel van een verklaring van een medisch specialist aantoont om medische redenen niet te kunnen fietsen;
- –
- –
- –
- –
- –
- •
Wanneer een belanghebbende door zijn beperking niet zelfstandig naar het werk, proefplaats of opleidingslocatie kan reizen, kan aan belanghebbende een vervoersvoorziening worden verstrekt. Deze kan in natura worden verstrekt of in de vorm van een vergoeding in geld.
(grondslag verordening: artikel 9f Verzamelverordening PW, IOAW, IOAZ en Bbz 2023).
- •
- •
- •
- •
Ondersteuning die in het individuele geval bijdraagt aan het voortduren van de arbeidsinschakeling. De mate van intensiviteit van de nazorg wordt afgestemd op de individuele situatie van de werknemer. Vaak bestaat nazorg uit het contact opnemen met zowel de werkgever als de werknemer nadat de werknemer is gestart met de werkzaamheden om de voortgang te bespreken.
Zowel de persoon die door/met de inzet van een andere voorziening zoals genoemd in deze beleidsregels is gestart bij een werkgever, als de werkgever van deze persoon.
Dit valt onder de dienstverlening van de gemeente. Er zijn geen extra kosten aan verbonden.
Maatwerk naar behoefte werknemer, werkgever, gemeente.
Voor geplaatste kandidaten met een doelgroepindicatie blijft de gemeente per definitie betrokken in het kader van de loonkostensubsidie.