Beleidsregels inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Hilvarenbeek

woensdag 18 maart 2026
Type bekendmaking: beleidsregel



Beleidsregels inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Hilvarenbeek

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek;

gelet op:

 

  • Participatiewet artikel 17 lid 1 en artikel 18a;

  • IOAW en IOAZ artikel 13 lid 1 en artikel 20a;

  • Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten;

  • Aanwijzing sociale zekerheidsfraude;

  • Relevante uitspraken van de CRvB.

overwegende dat:

het wenselijk is regels vast te stellen over wanneer het college een bestuurlijke boete beziet in het kader van schending van de inlichtingenplicht, rekening houdend met het feit dat die schending ook het gevolg kan zijn van onoplettendheid of een kleine vergissing.

 

besluit vast te stellen de Beleidsregels inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Hilvarenbeek.

Artikel 1: Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), de Wet oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004), Boetebesluit sociale zekerheidswetten, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2024.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Belanghebbende: degene voor wie de inlichtingenplicht geldt als bedoeld in art. 17 van de Participatiewet;

    • b.

      Benadelingsbedrag: het totaal van de als gevolg van de gedraging ten onrechte verstrekte uitkeringen, inclusief eventuele loonheffingen, premies, kosten, enzovoorts.

    • c.

      Bestuurlijke boete: de bestuurlijke boete zoals bedoeld in artikel 18a Pw dan wel artikel 20a IOAW/IOAZ;

    • d.

      Bijstandsnorm: het normbedrag waarop de belanghebbende recht heeft op grond van de Participatiewet, IOAW of IOAZ;

    • e.

      College: het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek;

    • f.

      Grove schuld: ernstig nalatig of verwijtbaar slordig handelen, wat er toe heeft geleid dat er ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan uitkering is ontvangen;

    • g.

      Inlichtingenplicht: de verplichting bedoeld in artikel 17 Pw dan wel art 13 IOAW/IOAZ om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand;

    • h.

      Opzet: het willens en wetens handelen of nalaten, wat ertoe heeft geleid dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag aan bijstand is ontvangen;

    • i.

      Schriftelijke waarschuwing: de schriftelijke waarschuwing zoals bedoeld in artikel 18a, vierde lid, Participatiewet en artikel 20a, vierde lid, IOAW/IOAZ.

    • j.

      Zwart werk: op geld te waarderen werk dat onbekend is of wordt gehouden voor de Belastingdienst, UWV en andere instanties en waar geen heffingen e.d. voor worden afgedragen.

Artikel 2: Bestuurlijke boete

Een bestuurlijke boete wordt opgelegd indien de inlichtingenplicht door grove schuld of opzettelijk wordt geschonden.

Artikel 3: Opzet, grove schuld en verwijtbaarheid

  • 1.

    In de volgende situaties kan bij schending van de inlichtingenplicht in ieder geval opzet worden gesteld:

    • a.

      verzwijgen van inkomsten uit het illegaal exploiteren van een hennepkwekerij;

    • b.

      verzwijgen van inkomsten uit drugshandel.

  • 2.

    In de volgende situaties kan bij schending van de inlichtingenplicht in ieder geval grove schuld worden gesteld:

    • a.

      verzwijgen van inkomsten waarover geen inkomstenbelasting is afgedragen;

    • b.

      het verzwijgen van inkomsten waardoor ten minste 50% van de toepasselijke bijstandsnorm te veel is ontvangen;

    • c.

      het verzwijgen van bezit van vermogen of goederen van waarde;

    • d.

      het verzwijgen van de gezinssamenstelling en/of de feitelijke woonsituatie;

    • e.

      het verzwijgen van een verblijf in het buitenland.

  • 3.

    De onder het eerste en tweede lid genoemde voorbeelden zijn niet limitatief en het college levert ook in andere situaties maatwerk bij de beoordeling van de opzet.

  • 4.

    Wanneer wordt vastgesteld dat er geen sprake is van opzettelijk of grove schuld bij het schenden van de inlichtingenplicht, maar er wel financiële benadeling van de gemeente heeft plaatsgevonden, wordt de belanghebbende schriftelijk gewezen op deze benadeling middels een schriftelijke waarschuwing.

  • 5.

    Wanneer een belanghebbende een schriftelijke waarschuwing heeft ontvangen, zoals bedoeld in het vierde lid, en de inlichtingenplicht binnen twee jaar opnieuw schendt door dezelfde gedraging, kan grove schuld of opzet worden aangenomen.

Artikel 4: Onderzoek en zienswijze bij het opleggen van een bestuurlijke boete

  • 1.

    Voordat de bestuurlijke boete wordt opgelegd, moet onderzoek plaatsvinden waarvan de resultaten in een boeterapport worden opgenomen. Het boeterapport vermeldt waarom grove schuld of opzet wordt gesteld, wat de zienswijze als bedoeld in het tweede en derde lid is en hoe deze is meegewogen in de boete-afweging en hoe het besluit is getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.

  • 2.

    Bij een bestuurlijke boete van € 340,- of hoger wordt de belanghebbende door het college in de gelegenheid gesteld mondeling dan wel schriftelijk een zienswijze te geven op het voornemen een bestuurlijke boete op te leggen binnen een hiervoor door het college aan de belanghebbende gestelde termijn.

  • 3.

    Bij een bestuurlijke boete lager dan € 340,- kan de belanghebbende ook een zienswijze geven op het voornemen een bestuurlijke boete op te leggen als de belanghebbende dit wenst of de situatie daartoe aanleiding geeft.

Artikel 5: Afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete bij dringende redenen

Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete bij dringende redenen. Er wordt altijd getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als er een beroep op dringende redenen wordt gedaan.

Artikel 6: Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 7: Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Beleidsregels inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Hilvarenbeek'.

Artikel 9: Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking de dag na bekendmaking.

TOELICHTING

De inlichtingenplicht in de Participatiewet en de IOAW/IOAZ verplicht belanghebbenden om alle feiten te melden die van invloed kunnen zijn op hun recht op bijstand of arbeidsinschakeling. Als deze verplichting niet of onvoldoende wordt nagekomen, kan een boete worden opgelegd. Deze boete wordt bepaald op basis van het onterecht ontvangen bedrag en de mate van verwijtbaarheid.

In de praktijk leidt dit systeem soms tot harde uitkomsten, waarbij een foutje kan resulteren in een zware terugvordering en boete. De maatschappelijke visie op boetes is inmiddels veranderd, en wij sluiten ons hierbij aan. Een boete wordt alleen opgelegd indien de inlichtingenplicht door grove schuld of opzettelijk wordt geschonden. In alle gevallen wordt de onterecht ontvangen uitkering teruggevorderd, maar een boete komt alleen bovenop de terugvordering als er grove schuld of opzet aan de orde is. Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.

 

Artikel 2: De bestuurlijke boete

Voorheen werd bij het opleggen van een boete rekening gehouden met de mate van verwijtbaarheid, zoals opzet, grove schuld, en gewone of verminderde verwijtbaarheid. In de praktijk is deze gradatie vaak moeilijk te bepalen. Het college vindt het niet wenselijk om een vergissing of onoplettendheid te bestraffen met een boete, omdat dit kan leiden tot ernstige financiële gevolgen.

 

Artikel 3: Opzet en grove schuld

In dit artikel worden situaties beschreven waarin opzet of grove schuld wordt aangenomen bij het schenden van de inlichtingenplicht, zoals het verzwijgen van inkomsten uit illegale activiteiten of het niet melden van inkomsten die een aanzienlijk effect hebben op de bijstandsberekening. Dit biedt duidelijkheid over wat onder opzet valt, maar het college blijft maatwerk toepassen en kijkt naar de specifieke omstandigheden van iedere situatie.

Als er geen grove schuld of opzet is, maar de gemeente financieel benadeeld wordt, ontvangt de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing. Bij herhaling van dezelfde fout na de waarschuwing kan alsnog grove schuld of opzet worden aangenomen.

 

Artikel 4: Onderzoek en zienswijze bij het opleggen van een bestuurlijke boete

Bij grove- of opzettelijke schending van de inlichtingenplicht wordt altijd een boete-onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is maatwerk, waarbij de situatie van de belanghebbende, het opzettelijke gedrag en de mogelijkheid om de verplichting na te komen centraal staan. Er wordt ook een evenredigheidstoets uitgevoerd om te beoordelen of de boete in verhouding staat tot het doel.

Als de boete hoger is dan het bedrag in artikel 5.53 Awb, wordt de belanghebbende altijd in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Als de belanghebbende niet reageert, wordt aangenomen dat hij geen zienswijze wil inbrengen.

 

Artikel 5: Afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete bij dringende redenen

Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete bij dringende redenen. Er wordt altijd getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als er een beroep op dringende redenen wordt gedaan.

 

Door de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) is in de uitspraak van 2 februari 202238 een kader geschetst voor de toets aan evenredigheid. De evenredigheid van een besluit wordt beoordeeld aan de hand van 3 beoordelingspunten:

 

  • 1.

    Geschiktheid: is het besluit geschikt om het daarmee beoogde doel te bereiken?

  • 2.

    Noodzakelijkheid: is het besluit noodzakelijk om het beoogde doel te bereiken, of kan dat ook met een minder ingrijpende maatregel?

  • 3.

    Evenredigheid in strikte zin: is het besluit dat op zich geschikt en noodzakelijk is, ook in dit specifieke geval evenredig?

De intensiteit van de toets aan evenredigheid is afhankelijk van verschillende factoren en zal dus van geval tot geval anders zijn. De intensiteit van de toetsing wordt bepaald door onder meer:

  • a.

    het type besluit;

  • b.

    de aard en de mate van beleidsruimte van het bestuursorgaan;

  • c.

    de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen;

  • d.

    de aard van de betrokken belangen;

  • e.

    de mate waarin deze door het besluit worden geraakt.

Naarmate deze belangen zwaarder wegen, de gevolgen van het besluit ernstiger zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op de fundamentele rechten, zal de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel intensiever zijn. Deze wijze van toetsen is overgenomen in latere uitspraken door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en daarmee ook relevant voor gemeenten bij het uitvoeren van de Participatiewet.