Beleidsregels inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Hilvarenbeek
Beleidsregels inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Hilvarenbeek
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilvarenbeek;
- •
- •
- •
- •
- •
het wenselijk is regels vast te stellen over wanneer het college een bestuurlijke boete beziet in het kader van schending van de inlichtingenplicht, rekening houdend met het feit dat die schending ook het gevolg kan zijn van onoplettendheid of een kleine vergissing.
besluit vast te stellen de Beleidsregels inlichtingenplicht en bestuurlijke boete Participatiewet, IOAW en IOAZ 2026 gemeente Hilvarenbeek.
Artikel 1: Begripsomschrijvingen
- 1.
Alle begrippen die in deze beleidsregels gebruikt worden en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet (Pw), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW), de Wet oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ), het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen (Bbz 2004), Boetebesluit sociale zekerheidswetten, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2024.
- 2.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
- f.
- g.
Inlichtingenplicht: de verplichting bedoeld in artikel 17 Pw dan wel art 13 IOAW/IOAZ om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk is dat deze van invloed kunnen zijn op de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand;
- h.
- i.
- j.
Een bestuurlijke boete wordt opgelegd indien de inlichtingenplicht door grove schuld of opzettelijk wordt geschonden.
Artikel 4: Onderzoek en zienswijze bij het opleggen van een bestuurlijke boete
- 1.
Voordat de bestuurlijke boete wordt opgelegd, moet onderzoek plaatsvinden waarvan de resultaten in een boeterapport worden opgenomen. Het boeterapport vermeldt waarom grove schuld of opzet wordt gesteld, wat de zienswijze als bedoeld in het tweede en derde lid is en hoe deze is meegewogen in de boete-afweging en hoe het besluit is getoetst aan het evenredigheidsbeginsel.
- 2.
- 3.
Artikel 5: Afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete bij dringende redenen
Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete bij dringende redenen. Er wordt altijd getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als er een beroep op dringende redenen wordt gedaan.
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, als toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
De inlichtingenplicht in de Participatiewet en de IOAW/IOAZ verplicht belanghebbenden om alle feiten te melden die van invloed kunnen zijn op hun recht op bijstand of arbeidsinschakeling. Als deze verplichting niet of onvoldoende wordt nagekomen, kan een boete worden opgelegd. Deze boete wordt bepaald op basis van het onterecht ontvangen bedrag en de mate van verwijtbaarheid.
In de praktijk leidt dit systeem soms tot harde uitkomsten, waarbij een foutje kan resulteren in een zware terugvordering en boete. De maatschappelijke visie op boetes is inmiddels veranderd, en wij sluiten ons hierbij aan. Een boete wordt alleen opgelegd indien de inlichtingenplicht door grove schuld of opzettelijk wordt geschonden. In alle gevallen wordt de onterecht ontvangen uitkering teruggevorderd, maar een boete komt alleen bovenop de terugvordering als er grove schuld of opzet aan de orde is. Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.
Artikel 2: De bestuurlijke boete
Voorheen werd bij het opleggen van een boete rekening gehouden met de mate van verwijtbaarheid, zoals opzet, grove schuld, en gewone of verminderde verwijtbaarheid. In de praktijk is deze gradatie vaak moeilijk te bepalen. Het college vindt het niet wenselijk om een vergissing of onoplettendheid te bestraffen met een boete, omdat dit kan leiden tot ernstige financiële gevolgen.
Artikel 3: Opzet en grove schuld
In dit artikel worden situaties beschreven waarin opzet of grove schuld wordt aangenomen bij het schenden van de inlichtingenplicht, zoals het verzwijgen van inkomsten uit illegale activiteiten of het niet melden van inkomsten die een aanzienlijk effect hebben op de bijstandsberekening. Dit biedt duidelijkheid over wat onder opzet valt, maar het college blijft maatwerk toepassen en kijkt naar de specifieke omstandigheden van iedere situatie.
Als er geen grove schuld of opzet is, maar de gemeente financieel benadeeld wordt, ontvangt de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing. Bij herhaling van dezelfde fout na de waarschuwing kan alsnog grove schuld of opzet worden aangenomen.
Artikel 4: Onderzoek en zienswijze bij het opleggen van een bestuurlijke boete
Bij grove- of opzettelijke schending van de inlichtingenplicht wordt altijd een boete-onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is maatwerk, waarbij de situatie van de belanghebbende, het opzettelijke gedrag en de mogelijkheid om de verplichting na te komen centraal staan. Er wordt ook een evenredigheidstoets uitgevoerd om te beoordelen of de boete in verhouding staat tot het doel.
Als de boete hoger is dan het bedrag in artikel 5.53 Awb, wordt de belanghebbende altijd in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Als de belanghebbende niet reageert, wordt aangenomen dat hij geen zienswijze wil inbrengen.
Artikel 5: Afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete bij dringende redenen
Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete bij dringende redenen. Er wordt altijd getoetst aan het evenredigheidsbeginsel als er een beroep op dringende redenen wordt gedaan.
Door de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) is in de uitspraak van 2 februari 202238 een kader geschetst voor de toets aan evenredigheid. De evenredigheid van een besluit wordt beoordeeld aan de hand van 3 beoordelingspunten:
- 1.
- 2.
- 3.
De intensiteit van de toets aan evenredigheid is afhankelijk van verschillende factoren en zal dus van geval tot geval anders zijn. De intensiteit van de toetsing wordt bepaald door onder meer:
- a.
- b.
- c.
- d.
- e.
Naarmate deze belangen zwaarder wegen, de gevolgen van het besluit ernstiger zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op de fundamentele rechten, zal de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel intensiever zijn. Deze wijze van toetsen is overgenomen in latere uitspraken door de Centrale Raad van Beroep (CRvB) en daarmee ook relevant voor gemeenten bij het uitvoeren van de Participatiewet.